Mirjam Vossen in BD: Vertel eerst dat kernenergie veilig is

Mirjam Vossen in BD: Vertel eerst dat kernenergie veilig is

De discussie over een kerncentrale in Brabant laait op, inclusief het hardnekkige beeld dat kernenergie gevaarlijk is. Van dat beeld moeten we af, zegt mediaonderzoeker Mirjam Vossen.

Dr. Mirjam Vossen is mediaonderzoeker en promoveerde op beeldvorming en framing. Ze onderzocht onder meer hoe Nederlandse media berichten over kernenergie.

Het provinciebestuur wil de weg vrijmaken voor de bouw van een nieuwe kerncentrale in Brabant. Dat plan leidde direct tot een stevige discussie tussen voor- en tegenstanders. Het Brabants Dagblad deed er zaterdag verslag van. 

De veiligheid van kerncentrales is in deze discussie een terugkerend thema. Telkens doemt het beeld op dat kernenergie gevaarlijk is. Dat gebeurde bijvoorbeeld met de foto die vrijdag bij het artikel over het Brabantse protest werd geplaatst (zie onderstaande afbeelding). Het was een foto van de centrale in het Belgische Doel. Volgens het onderschrift kampt deze centrale, ‘vlakbij de grens met Nederland’, ‘regelmatig met problemen’. Kernenergie, zo is de onderliggende boodschap, is niet pluis en wij Nederlanders lopen wellicht gevaar.

foto artikel brabantse kerncentrale

Hoe zit het dan met de veiligheid van kernenergie? Het zal voor velen als een verrassing klinken dat kernenergie – samen met zonne- en windenergie – de veiligste manier is om energie op te wekken. Onderzoekers becijferden dat kolencentrales per Terrawattuur aan elektriciteit 24,6 doden veroorzaken. Bij biomassa zijn dat 4,6 doden, bij gas 2,6 en bij zonne-, wind- en kernenergie minder dan 1. Deze doden vallen deels door ongelukken in de mijn, of tijdens transport en bouwwerkzaamheden. Maar de grootste boosdoener is luchtvervuiling. Stoppen met gas, biomassa, olie en kolen brandstoffen zou elk jaar drie tot vier miljoen voortijdige sterfgevallen door luchtvervuiling voorkomen.

Kernenergie stoot nauwelijks broeikasgassen uit en is veilig. Maar dat is niet het beeld dat het publiek ervan heeft. De generatie van 50 jaar en ouder –waar ik zelf toe behoor– groeide immers op met het ongeluk in Tsjernobyl. De journaalbeelden met wolken radioactiviteit staan diep in onze geheugens gegrift.

Maar Tsjernobyl is niet de enige verklaring voor ons scheve beeld van kernenergie. Kerncentrales melden –anders dan kolencentrales, chemische fabrieken of windparken- elk incident, ook wanneer er geen enkel risico voor de omgeving is. Dat betekent dat elke storing de krant haalt. Een lek in een waterpijp? De krant neemt het mee. Vertraagde onderhoudswerkzaamheden? Het komt in de krant. De kerncentrale gaat weer in bedrijf? De krant bericht er over. In Nederlandse kranten ging in 2018 maar liefst een derde van alle berichten over kernenergie over kleine incidenten. De lezer kan niet anders dan constateren dat het in kerncentrales doorlopend fout gaat.

De obsessie met de veiligheid van kerncentrales zien we ook rond Fukushima. Vorige maand was het tien jaar geleden dat daar een tsunami plaatsvond. De vloedgolf kostte bijna 16.000 mensenlevens en beukte een kerncentrale kapot. Niemand liet door dat kernongeluk het leven. Toch ging bij de herdenking van de tsunami alle media-aandacht naar de kerncentrale. Geen enkele journalist maakte een verhaal over de slachtoffers van de vloedgolf. Veel berichten gooiden bovendien het dodental van de tsunami (16.000) en de kernramp (0) op één hoop. Het NOS-journaal presteerde het zelfs om de tsunami te beschrijven als een gevólg van het kernongeval. Zo werd opnieuw de suggestie gewekt dat we voor kernenergie moeten vrezen.

Het wordt de hoogste tijd om de risico’s van kernenergie in perspectief te zien. De technologie is net zo veilig als wind- en zonne-energie. Dat zijn de feiten. Laten we deze vooropstellen, om vervolgens te discussiëren over het nut en de haalbaarheid van een kerncentrale in Brabant.

Bron: Brabants Dagblad

Over eten: het voedselsysteem in woelige tijden

Over eten: het voedselsysteem in woelige tijden

Flevo Campus bracht een verzameling essays over het voedselsysteem anno 2020 uit. Zeker nu Nederland en Europa getroffen zijn door corona is het goed om na te denken Over eten: het voedselsysteem in woelige tijden. Wat meteen de titel van de bundel is.

Annia Ciezadlo, Michael Pollan, Janno Lanjouw, Martine Kamsma, Joris Lohman, Hidde Boersma en Marcel aan de Brugh schreven mee aan de bundel. De bundel is sinds eind oktober 2020 bij iedere (online) boekhandel verkrijgbaar.

In 2050 zijn er tien miljard mensen op de wereld – misschien iets meer, misschien iets minder – en ondanks dat de 21ste eeuw alweer twintig jaar oud is, is het nog altijd niet duidelijk hoe al die mensen duurzaam, gezond en genoeg te eten gaan krijgen. Ondertussen krijgt het huidige systeem het flink te verduren: terwijl het nog bijkomt van de maatregelen tegen corona die begin 2020 werden ingesteld, demonstreert een steeds grimmiger contingent agrariërs tegen een overheid die met bokkensprongen probeert te voldoen aan de Europese regels voor stikstofuitstoot. Never a dull moment in voedselland Nederland en 2020 was tot nu toe zeker geen uitzondering.

Klik hier om verder te lezen.

Fukushima: ook een mediaramp

De tsunami in Fukushima eiste 16.000 slachtoffers. Maar door de media-obsessie met kernenergie horen we niets over hen.

Auteur: Mirjam Vossen

Op 11 maart 2011 rolden metershoge tsunamigolven het oosten van Japan binnen. Ze vernielden alles op hun weg, sleurden auto’s en huizen mee en beukten een kerncentrale kapot. Bijna 16.000 mensen lieten in de vloedgolf het leven. De internationale pers rukte uit, camera’s draaiden, de wereld keek mee.

Maar al snel zag de wereld geen tsunami-slachtoffers meer. De toegestroomde pers raakte volledig in de ban van de kerncentrale die door de vloedgolf was getroffen. Wekenlang vulden de journaals zich met nieuws over de dreigende meltdown. Een groot gebied rondom de centrale werd geëvacueerd uit angst voor de ontsnapte radioactieve straling. Het liep – wat dodental betreft – met een sisser af: niemand liet als gevolg van de straling het leven.

Tiende verjaardag
De ramp was deze week precies tien jaar geleden. Tijd voor herdenking. Met de verslaggeving uit 2011 nog in het geheugen was ik benieuwd hoe de media dat zouden doen. Was Fukushima een natuurramp met 16.000 slachtoffers? Of een kernramp? Zagen journalisten überhaupt het verschil? Het 8-uur journaal van 5 maart had weinig goeds beloofd: uit de mond van nieuwslezer Jeroen Overbeek hoorden we dat de kernramp in Fukushima werd gevolgd (!) door een tsunami. Het was een pijnlijke uitglijder, die de suggestie wekte dat de kernramp de tsunami had veroorzaakt, in plaats van andersom.

Zouden kranten het beter doen? Ik nam de proef op de som en legde de oogst van ’10 jaar na Fukushima’ op de snijtafel. Tussen 5 en 12 maart verschenen er 35 artikelen over dit onderwerp in de krant. Ik stelde twee simpele vragen: gaat het artikel vooral over het kernongeval, of over de tsunami? En: houden journalisten de slachtofferaantallen van beide rampen uit elkaar?

Rode zone
Het antwoord op de eerste vraag verraste me toch nog. De berichtgeving draaide, zoals ik had verwacht, vrijwel uitsluitend om het ongeluk in de kerncentrale. Maar ik was verbaasd over de omvang van de eenzijdigheid: in maar liefst 28 van de 35 artikelen was de nasleep van de kernramp de rode draad. Reportages en interviews kwamen zonder uitzondering uit de rode zone rond de kerncentrale. Niet één artikel schonk aandacht aan tsunami-nabestaanden of overlevenden buiten die zone, terwijl in andere regio’s veel meer slachtoffers waren gevallen dan in de buurt van de kerncentrale.

Ook het vermelden van de slachtoffers rammelde. Zestien artikelen maakten melding van de dodelijke slachtoffers. Ruim de helft (9) gooide de slachtoffers van de tsunami en kernramp rampen op één hoop, of zaaide op een andere manier verwarring. Zo liet de PZC een hulpverlener terugblikken op de zoekactie in het rampgebied: “Het was heel speciaal, we hadden jodiumpillen bij ons. We hebben vijftig overledenen teruggevonden.” Tsja, dat doet toch denken dat ze overledenen van het kernongeval vond.

Klok en klepel
Al even misleidend was het Noordhollands Dagblad. De krant meldde dat er 18.500 slachtoffers waren gevallen, en dat ‘het grootste deel van het dodental werd veroorzaakt door de vloedgolf’. Niet onjuist, maar ‘het hele dodental’ was correcter geweest.

Opmerkelijk was ook het slachtoffertal in een artikel van het Financieele Dagblad. Volgens die krant varieerde het aantal directe doden van het kernongeluk ‘afhankelijk van de definitie die je hanteert’ van één persoon tot 573. De krant verzuimde te melden dat deze 573 personen, volgens een onderzoek uit 2012, stierven aan de gevolgen van de haastige evacuatie uit het gebied (het werkelijke aantal werd nadien bijgesteld tot 2.200). De evacuatie was achteraf gezien volstrekt overbodig: niemand was door de straling in gevaar gekomen. De geëvacueerden bezweken aan psychische en mentale stress en het tekortschieten van medische zorg. Ze stierven aan stralingsangst. Dat had het FD er wel even bij mogen zetten.

Bangmakerij
Relativerende geluiden waren er ook. De Telegraaf wijdde een commentaar aan de nodeloze bangmakerij over straling, en liet stralingsdeskundige, Geraldine Thomas, aan het woord om hetzelfde te zeggen. Kunstenares Tinkebell hamerde er in het Parool op dat de straling in Fukishima geen slachtoffers had geëist. En een oplettende Trouw-lezer wees de krant er fijntjes op dat het ten onrechte de suggestie had gewekt dat het vermelde aantal doden was gekoppeld aan straling uit de kerncentrale. Het tegengeluid kwam, opvallend genoeg, vrijwel uitsluitend van lezers, columnisten en commentatoren – niet van verslaggevers.

De conclusie van deze snijtafel is dat de berichtgeving over ’10 jaar Fukushima’ eenzijdig en misleidend was. Journalisten beperkten hun invalshoek vrijwel zonder uitzondering tot de kernramp – de tsunami werd hooguit in een bijzin genoemd. Velen maakten bovendien geen onderscheid tussen de slachtoffers van beide rampen, waardoor ze suggereerden dat ook het kernongeval veel levens had geëist.

Tsunamislachtoffers
Dat betekent niet dat het kernongeval geen aandacht verdient. Dat doet het wel. De schade voor de omgeving is enorm, het leed van de geëvacueerden is groot en dat verhaal verdient het om verteld te worden. Maar ‘Fukushima’ is meer dan dat. Het is ook het verhaal van 16.000 tsunamislachtoffers – en een veelvoud aan familieleden, vrienden en collega’s die zonder hen verder moeten leven. Door de media-obsessie met kernenergie is hun verhaal niet gehoord.

 

Groene Europarlementariërs omarmen kwakwetenschap. Waarom?

Groene Europarlementariërs omarmen kwakwetenschap. Waarom?

Onlangs presenteerden de fractie Groenen/EFA in het Europees Parlement het rapport ‘Gene editing, myths and reality’, een aaneenschakeling van mythes over moderne genetische technieken, die weinig van doen hebben met de realiteit. Terwijl die genetische technieken juist een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van impact van de landbouw op natuur, milieu en landschap. Staan ze niet tegen de verkeerde boom te blaffen?

Auteur: Joost van Kasteren

Eerlijk gezegd, begrijp ik het niet zo goed. Als het gaat om klimaat volgen groene partijen naar eigen zeggen – terecht – de wetenschap, maar als het om landbouw gaat kiezen ze daarentegen voor kwakwetenschap. Een recent voorbeeld daarvan is het rapport over ‘gene editing’, het redigeren van erfelijke eigenschappen met moderne genetische technieken, waarvan CRISPR/Cas wel de bekendste is.

Mythes

Heel in het kort concluderen de auteurs – Claire Robinson van GMWatch en Fransziska Achterberg van Greenpeace – dat genetisch gemodificeerde en geredigeerde gewassen nutteloos en gevaarlijk zijn. Een conclusie die – in zoverre klopt de titel – gebaseerd is op een aantal mythes. Zo zou het gebruik van bestrijdingsmiddelen enorm zijn gestegen in de landen waar genetisch gemodificeerde gewassen worden geteeld. Het tegendeel is waar.

Uit een al wat oudere meta-analyse blijkt echter dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen gemiddeld met ruim een derde is gedaald terwijl de opbrengsten met ruim twintig procent zijn gestegen. Een meer recente studie laat zien dat de Environmental Impact Quotient van genetisch gemodificeerde gewassen een kleine twintig procent lager is dan van niet gemodificeerde gewassen.

Klik hier om verder te lezen.

Interview met Agnes Matilda Kalibata door Joost van Kasteren

Interview met Agnes Matilda Kalibata door Joost van Kasteren

“Kleine boerenbedrijven (smallholders) in Afrika balanceren voortdurend op de rand van het bestaan. Ze leven niet, ze overleven. Duurzaam intensiveren verhoogt de productiviteit en daarmee ook de levensvatbaarheid van die bedrijven.” Aldus Agnes Kalibata, president van AGRA, de door wijlen Kofi Annan opgezette Alliance for a Green Revolution in Africa. “Een levensvatbare agrarische sector is een motor die de bedrijvigheid in andere sectoren aanzwengelt.”

Agnes Matilda Kalibata is geboren in Rwanda, maar groeide op in Oeganda, waar haar ouders heen waren gevlucht en een kleinschalig boerenbedrijf hadden. Ze studeerde landbouwwetenschappen aan de fameuze Makarere Universiteit in Kampala (Oeganda), waarna ze een promotietraject volgde aan de University of Massachusetts Amherst. Nadat ze in 2005 promoveerde  op een onderwerp uit de entomologie werkte ze enkele jaren als onderzoek aan het Kawanda Agricultural Research Institute in Kampala. In 2008 werd ze minister van landbouw en dierlijke hulpbronnen in haar geboorteland Rwanda. Vanaf 2014 is ze president van AGRA, de Alliance for a Green Revolution in Africa. Ze is ook Special Envoy – zeg maar boegbeeld – van de 2021 Food Systems Summit van de Verenigde Naties.

Agnes Kalibata begint het gesprek (via beeldverbinding) met een aantal statistieken die aangeven hoe belangrijk de kleine boerenbedrijven zijn voor de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara. “Ongeveer 90 procent van de boerenbedrijven is kleiner dan 5 hectare. Met elkaar dragen ze ongeveer een derde bij aan het nationaal inkomen in die landen en bijna twee derde van de bevolking is ervan afhankelijk voor hun inkomen en bestaanszekerheid. De ontwikkeling van kleine boerenbedrijven en hun producten is dus essentieel voor Afrika.”

U was hiervoor minister van landbouw in Rwanda, een land dat in vrij korte tijd een behoorlijke economische ontwikkeling heeft laten zien. Wat was het geheim?

“Door maximaal inzetten van publieke en private middelen hebben we geprobeerd om de levensvatbaarheid van de veelal kleine boerenbedrijven, gemiddeld een halve hectare, te verbeteren. Daarbij ging het bijvoorbeeld om het vergroten van de toegang tot verbeterd zaaigoed en tot middelen om de bodemkwaliteit te verbeteren, bijvoorbeeld voor de aanleg van terrassen op erosiegevoelige hellingen. Voorlichting en training zijn daarbij essentieel gebleken. Daarnaast is geïnvesteerd in marktontwikkeling, ook al was dat toen nog niet zo relevant, omdat de nadruk lag op het bestrijden van de hongersnood. Nu er voldoende wordt geproduceerd is het belangrijk dat ook kleine bedrijven hun producten kunnen afzetten. Waarom zou je anders investeren in dure productiemiddelen?.”

Dat betekent dus ook investeren in infrastructuur?

“Vanzelfsprekend, ook al was dat niet eenvoudig in een heuvelachtig land als Rwanda. In het algemeen zijn de logistieke kosten in Afrika zo hoog dat rijst die is geïmporteerd uit Vietnam goedkoper is dan de rijst die lokaal wordt geproduceerd. Dat heeft overigens niet alleen te maken met transportkosten, maar ook met te kleine aanvoerstromen. Een van onze prioriteiten is dan ook om kleinschalige boerenbedrijven te stimuleren tot samenwerking in coöperatief verband. Door producten samen te voegen, nemen de logistieke kosten per kilo af. Bovendien versterken cooperaties de positie van kleinschalige bedrijven tegenover de tussenhandel. Ook is er een belangrijke rol weggelegd voor de coöperaties bij het verbeteren van de kwaliteit van de producten. Als mensen voldoende te eten hebben, wordt kwaliteit steeds belangrijker.”

Landbouw is ook een motor voor economische ontwikkeling en modernisering, schrijft u ergens. Wordt dat al voldoende onderkend in Afrika?

“Ik ben bang dat overheden de landbouw nog steeds niet de aandacht schenken die nodig is. Als je kijk naar de statistieken zou je denken overheden veel meer zouden doen om hun landbouwsector tot ontwikkeling te brengen. Er zijn wel goede voornemens. Al in 2003 zijn de lidstaten van de Afrikaanse Unie overeengekomen dat ze tien procent van hun overheidsuitgaven zouden besteden aan de agrarische sector. Uit een onlangs gehouden evaluatie blijkt echter dat er maar weinig landen zijn die dat halen. De prioriteiten liggen nog altijd bij onderwijs, gezondheidszorg en andere sectoren. Ook belangrijk natuurlijk, maar ik blijf benadrukken dat landbouw meer aandacht en meer investeringen nodig heeft. Voor voorlichting en opleiding, voor het opzetten van boerenorganisaties (coöperaties), voor het verbeteren van de infrastructuur, voor marktontwikkeling en voor het stimuleren van de private sector.”

“Als je investeert in een levensvatbare agrarische sector, creëer je een machine die alles in beweging zet. Een motor die bedrijvigheid in andere sectoren, de dienstensector en de industrie, aanzwengelt. Een hogere arbeidsproductiviteit leidt tot meer inkomsten en stelt mensen, ook kleine boeren, om hun kinderen naar school te sturen en een zorgverzekering aan te schaffen. Sommige landen hebben gekozen voor het blijvend subsidiëren van de landbouw, maar de middelen niet onbeperkt. Bovendien pakken subsidies de kern van het probleem – te weinig investeringen om de sector te transformeren – niet aan. Kleine boeren staan daardoor nog steeds in de overlevingsstand en hebben geen grip op hun eigen leven.”

Duurzaam intensiveren betekent vaak ook een uittocht uit de landbouw. Wat moeten de mensen gaan doen waarvoor geen plaats meer is?

“De transitie in de kleinschalige landbouw zal ongetwijfeld tot gevolg hebben dat mensen vertrekken uit de landbouw. Het criterium daarbij moet zijn dat dat vertrek niet gedwongen is, bijvoorbeeld omdat je je grond moet verkopen of de pacht wordt opgezegd. Je vertrekt pas uit de landbouw als je iets beters hebt gevonden. Als je voortaan 15 ton aardappelen per hectare kunt telen waar je voorheen 5 ton had, zoals in Rwanda, dan verdien je geld om bijvoorbeeld een motor te kopen of een kleine vrachtwagen of om een winkel te openen. Dat kan een business worden waar je van kunt leven. De grond die dan vrijkomt is dan beschikbaar voor een van je mede-boeren, die wel wil blijven boeren. De vergroting van haar areaal verbetert ook de perspectieven voor haar bedrijf.”

Met het geld van de Bill & Melinda Gates Foundation verstrekt AGRA toch eigenlijk ook subsidies voor de aankoop van zaaigoed en kunstmest? Dat lijkt in tegenspraak met wat u net zei. 

“Nee, nee, absoluut niet. Onze opdracht is om de kleinschalige landbouwbedrijven in Afrika levensvatbaar te maken en daar horen geen subsidies bij in de vorm van gratis zaaigoed of kunstmest. Sterker nog, we proberen Afrikaanse overheden er juist van te weerhouden om zaaigoed, kunstmest en andere inputs blijvend te subsidiëren, want daardoor komt er nooit een gezonde private sector van de grond. Bovendien kun je dat geld beter gebruiken voor bijvoorbeeld het aanleggen van wegen, opslagfaciliteiten en havens en voor waterbeheer en wetenschappelijk onderzoek.”

“Subsidies zijn niet efficiënt en zijn ook vaak een bron van misbruik of verkeerd gebruik. Daarmee is niet gezegd dat ze overbodig zijn. In het begin zijn ze nodig als katalysator voor investeringen, maar veel langer dan vijf jaar moet dat niet duren. Als een bepaalde ontwikkeling dan nog niet van de grond is gekomen, is die blijkbaar niet levensvatbaar. Als het te lang duurt ondermijnt subsidie de ontwikkeling van de agrarische sector en leidt tot onbedoelde effecten, zoals bijvoorbeeld een stijging van de grondprijzen. Als je de agrarische sector wilt ontwikkelen moet je niet subsidiëren, maar investeren. Dat geldt niet alleen voor Afrika, maar ook voor de rest van de wereld.”

Geen subsidies, maar investeringen, dus. Hoe werkt dat dan?

“Met het geld van onze donoren versterken we systemen die kleinschalige boeren toegang geven tot inputs waarmee ze hun productie kunnen verhogen. Met zaaigoed bijvoorbeeld zetten we in op verbeterde gewasvariëteiten die een hogere opbrengst leveren. Het gaat echt niet om variëteiten die tien of twaalf ton per hectare opleveren, zoals in het Westen. Maar een opbrengstverbetering van 500 naar 5000 kilo maïs per hectare maakt al een wereld van verschil in Afrika.”

“Om die variëteiten bij de boer te krijgen, stimuleren we het opzetten van systemen met zowel publieke als private partijen. Een nieuwe aardappelvariëteit bijvoorbeeld wordt vaak ontwikkeld in een onderzoeksinstituut dat met publiek geld is gefinancierd. Een private partij neemt de doorontwikkeling op zich, inclusief vermeerdering en vervolgens gaat het naar lokale inkoopcoöperaties waar boeren het pootgoed kunnen aanschaffen samen met de benodigde inputs en adviezen die nodig zijn voor een succesvolle teelt. Dat is wat we bij AGRA bedoelen met het bouwen van systemen – zorgen voor een goed functionerend kanaal om zaaigoed uit het lab bij de boer te krijgen.”

AGRA is onlangs van verschillende kanten onder vuur genomen. Een consortium van een aantal milieu- en ontwikkelingsorganisaties betichtte u van ‘False Promises’. Volgens hen heeft AGRA zijn beloften – verbetering van de situatie van kleine boeren – niet waargemaakt. In een ander rapport van IPES, het International Panel of Experts on Sustainable Food Systems, wordt AGRA verweten te weinig in te zetten op agro-ecologie. Wat vindt u daarvan? 

“Die kritiek is niet terecht, omdat die berust op verkeerde aannames. In het IPES-rapport bijvoorbeeld wordt een tegenstelling gecreëerd tussen industriële landbouw en agro-ecologische landbouw, waarbij AGRA dan de industriële landbouw zou stimuleren. Dat is gewoon niet waar! Zoals ik al zei ligt onze focus op voedselgewassen en niet op cash crops. We richten ons niet alleen op maïs, zoals wordt gesuggereerd in het rapport ‘False Promises’, maar ook op cassave, yam, gierst, sorghum en andere voedselgewassen. In de afgelopen jaren hebben we nationale instituten in 18 landen geholpen bij het ontwikkelen van 700 variëteiten van 18 verschillende voedselgewassen.”

“Ons uitgangspunt is dat je binnen de gegeven omstandigheden van bodem en klimaat voor elk land op zoek gaat naar de beste oplossingen. Traditioneel leunt de Afrikaanse landbouw sterk op landrassen die boeren zelf in de loop van vele decennia hebben ontwikkeld. Dat klinkt heel romantisch in de ogen van sommige mensen, maar die landrassen zijn niet bestand tegen ziekten en plagen en – meer recent – de gevolgen van klimaatverandering. Alleen daarom al hebben boeren verbeterd zaaigoed nodig, nog los van het feit dat je daarmee ook de kwaliteit en de opbrengst kunt verbeteren. Als je de opbrengst met een factor drie tot vijf kunt verhogen, maakt dat een wereld van verschil uit voor kleine boeren.”

Een deel van de kritiek richt zich ook op het gebruik van kunstmest, vanwege de risico’s van uitputting van de bodem.

“Veel mensen realiseren zich niet dat Afrika een van de oudste continenten is met een geërodeerde bodem. Als je landbouw wil bedrijven zonder de bodem verder uit te putten of – beter nog – de bodemkwaliteit te verbeteren, dan heb je kunstmest nodig. En dan heb ik het niet over de 300 tot 500 kilo stikstof per hectare die jullie in West-Europa gebruiken. Ons grote voordeel is dat we hebben geleerd van de fouten die elders in de wereld zijn gemaakt en zoeken – afhankelijk van de lokale omstandigheden – naar een integrale benadering van de bodemvruchtbaarheid.”

“De kunst is om een goede balans te vinden tussen enerzijds verhogen van de opbrengsten per hectare, intensivering dus en anderzijds het verkleinen van de voetafdruk. Een bijkomend voordeel is dat hogere opbrengsten per hectare meer ruimte scheppen voor natuur. Twee vliegen in een klap dus: kleine boerenbedrijven die levensvatbaar zijn en functioneren als aanjager van economische ontwikkeling. En meer ruimte voor het behouden en verbeteren van natuur en biodiversiteit.”

Wereldwijd kernenergie en wij stoken hout

Hoe kon het zo misgaan met het Klimaat- akkoord? Dat is over vier, vijf jaar de centrale vraag in een parlementaire enquête, voorzien Olguita Oudendijk en André Wakker. „Met de Green Deal en het Klimaatakkoord lossen we het klimaatprobleem niet op. Het roer moet snel om.”

Onze energievoorziening was altijd beschikbaar, betrouwbaar en betaalbaar. Maar anno 2021 is van ons mooie, vraaggestuurde en centraal ingerichte energiesysteem nog maar weinig over. We krijgen een decentraal, kleinschalig, weersafhankelijk systeem, waarin vraag en aanbod niet langer op elkaar aansluiten. Dat komt doordat niet langer technisch geschoolde overheidsdienaren onze energiekoers bepalen, maar allerlei belangenbehartigers die mogen aanschuiven aan klimaattafels, waar geen kiezer mee heeft ingestemd.

Deze groene belangenbehartigers hebben ook in de EU veel invloed. Neem de nieuwe Belgische minister voor energie, Tinne van der Straeten. Zij gaat zeven CO2-vrije kerncentrales – goed voor de helft van alle Belgische stroom – sluiten en vervangen door aardgascentrales, zonnepanelen en windmolens. Dat gascentrales CO2 uitstoten is geen probleem.

Klik hier om het volledige artikel te lezen.

 

Extra editie De Vork over grondloze teelt

Hoofdredacteur van De Vork Joost van Kasteren:

Mijn eerste ervaringen met grondloze teelt waren de hyacinten op de ven- sterbank die hun wortels lieten hangen in een glazen vaas met kraanwater. Later in Wageningen waren er wel medestudenten met groenere vingers dan ik die op die manier de pit van een avocado tot wasdom wisten te brengen. Het ‘echte’ werk, tomatenplanten die op substraat werden geteeld, zag ik begin jaren tachtig toen ik voor een van mijn eerste reportages voor NRC-Handelsblad op bezoek ging bij tomatenteler Jo Bos uit Bergschenhoek. Het was eind december en de kas was net gereedgemaakt voor de komst van een nieuwe jaargang tomatenplanten. Het leek wel een operatiekamer. Wit plastic op de betonnen vloer waarop rijen, eveneens in wit plastic verpakte broodjes steenwol, met elkaar verbonden via zwarte slangetjes waarin gietwater met daarin opgelost afgepaste hoeveel- heden voedingsstoffen, zouden worden aangevoerd.

Dertig jaar geleden figureerde de Nederlandse glastuinbouw als prominent innovatiecluster in het boek van de Amerikaanse hoogleraar bedrijfskunde Michael E. Porter, ‘The Competitive Advantage of Nations’ (1990). Daarin schetst hij hoe de wisselwerking tussen de partijen in de keten op een relatief klein oppervlak een sector tot grote hoogte op kan stuwen. Een belangrijk onderdeel daarvan is de interactie tussen onderzoek en praktijk en juist die heeft een grote bijdrage geleverd aan de opkomst van de plantenteelt zonder grond, hetzij in een inert substraat, in water (hydroponics) of in mist (aeroponics).

In het in middels vergeelde artikel uit de NRC lees ik terug hoe de medewerkers van het Proefstation in Naaldwijk uitzochten wat het optimale recept was voor elk gewas, welke teeltwijze het beste was, hoe je het gietwater moest behandelen en duizend en meer kwesties die zich in de praktijk voordeden. Achter deze frontlinie van het praktijkonderzoek bevond en bevindt zich een heel leger van onderzoekers die gedreven worden door de uitdaging om voldoende, veilig en voedzaam voedsel te produceren voor een groeiende wereldbevolking met zo min mogelijk impact op de omgeving. Een van die mensen was Bram Steiner (1921-2016). Na de Tweede Wereldoorlog werd hij gegrepen door het idee van de grondloze teelt en is, ondanks spot en tegenslagen, blijven geloven in het belang ervan voor Nederland en voor de wereld (zie ook de rubriek ‘Op de schouders’ p. 78). Daarmee stond hij aan de wieg van de transitie van de Nederlandse glastuinbouw in de jaren tachtig en indirect ook aan de huidige transitie in de richting van vertical farming.

Als erkenning voor zijn belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de grondloze teelt is in 2002 de Stichting Bram Steiner Fonds in het leven geroepen. Doel van het fonds was het bevorderen, ontwikkelen en verspreiden van kennis op het gebied van plantenvoeding en alles wat daarmee verband houdt. Tot vorig jaar werd dat doel gerealiseerd door het periodiek uitreiken van de Bram Steiner Award voor het beste wetenschappelijke artikel over plantenteelt zonder grond.

In de loop van vorig jaar heeft het bestuur besloten om de Stichting op te heffen en de resterende middelen te besteden aan een handboek bedekte hydroponics-teelt. En aan de speciale uitgave van Vork die nu voor u ligt, waarin we op journalistieke wijze de ontwikkelingen op het gebied van grondloze teelt beschrijven. We zijn het bestuur van de Stichting zeer erkentelijk dat we op deze manier kunnen bijdragen aan het verspreiden van kennis en inzichten op het gebied dat Bram Steiner zo na aan het hart lag: de plantenteelt zonder grond.

Klik hier om de speciale uitgave van De Vork te lezen.

Zorgen over stijgende voedselprijzen

Zorgen over stijgende voedselprijzen

De situatie is (nog) niet vergelijkbaar met de aanloop naar de voedselcrisis van 2007/08, maar de stijgende graanprijzen op de wereldmarkt baren experts inmiddels de nodige zorgen. COVID19 en een nieuwe sprinkhanenplaag in Oost-Afrika bedreigen momenteel de regionale voedselproductie, maar de grootste bedreiging voor de voedselzekerheid wordt gevormd doordat voedsel exporterende landen uit voorzorg hun grenzen sluiten.

Auteur: Joost van Kasteren

Evenals in de aanloop naar de wereldwijde voedselcrisis van 2007/08 hebben we ook nu weer te maken met stijgende voedselprijzen. De Food Price Index van de FAO, voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties van begin februari was weer ruim vier procent hoger dan in december en na een ononderbroken stijging van acht maanden, ruim 25 procent hoger dan in mei vorig jaar.

Een belangrijke oorzaak van de prijsstijging is de groeiende vraag naar voedergewassen in China. Dat heeft vooral te maken met de groei van het aantal varkens aldaar, nadat de varkensstapel volgens Amerikaanse gegevens, vanaf 2018 bijna was gehalveerd door de Afrikaanse varkenspest. Nu de epidemie nagenoeg onder controle is, worden de stallen weer gevuld en neemt de vraag naar voer toe.

Klik hier om verder te lezen.

Wat is duurzamer, groeien of niet?

Wat is duurzamer, groeien of niet?

Hidde en ik discussiëren wel eens op Twitter. Als schrijver van Meer – Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt en als de helft van het illustere duo Boersma Lohman, dat door het land trok als The wizzard and the prophet (boek van Charles A. Mann), presenteert Hidde zich als ecomodernist met een sterk geloof in landsparing door middel van verdere intensivering van het agrocomplex. Daarin vinden we elkaar voor het grootste deel, hoewel Hidde wat strenger in de leer is.

Auteur: Mark Soetman

In: Foodmagazine

Klik hier om verder te lezen.

‘GREEN DEAL’, NIET ZO GROEN VOOR DE PLANEET

‘GREEN DEAL’, NIET ZO GROEN VOOR DE PLANEET

De Europese ‘Green Deal’ en dan vooral de farm to fork strategie van de Europese Commissie zorgt voor meer import van landbouwproducten uit gebieden waar minder eisen worden gesteld aan milieu- en natuurbescherming. Terwijl Europa mooi weer speelt met duurzame landbouw, zo schrijven onderzoekers van het Karlsruhe Institut fur Technologie in Nature, worden de milieu- en andere kosten afgewenteld op de handelspartners.

Auteur: Joost van Kasteren

Klimaatjongeren protesteren regelmatig tegen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie. Volgens hen draagt dat bij aan verlies van biodiversiteit en schade aan het milieu door het stimuleren van intensieve monocultuur met gebruik van kunstmest en pesticiden. Net als bijvoorbeeld de groene partijen zien ze meer in de farm-to-forkstrategie, onderdeel van de Green Deal die de Europese Commissie in 2019 lanceerde met een vergaande reductie van kunstmest en bestrijdingsmiddelen en een uitbreiding van het areaal voor biologische landbouw tot een kwart van het totaal.

Klik hier om verder te lezen.