Onze reactie op de kernenergie positionpaper van Greenpeace

Op 2 december om 14.00 uur zal de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken en Klimaat een hoorzitting houden over de rol van kernenergie als oplossing voor het klimaatprobleem in Nederland.

Wij zijn als stichting blij met de hoorzitting maar erg teleurgesteld over de kwaliteit van enkele ingebrachte positionpapers, met name die van Greenpeace. Deze actiegroep is geworteld in het verzet tegen kernwapens en kernenergie in de jaren ’70. Anno 2020 blijft de organisatie volharden in dat verzet, terwijl niet alleen de nucleaire technologie fundamenteel veranderd is, maar we ook voor een nieuwe, urgente opgave staan. En dat is de klimaatverandering. Stichting Ecomodernisme meent dat Greenpeace selectief shopt in onderzoek en literatuur. De stichting roept op om met open vizier en valide argumenten het debat te voeren met als gemeenschappelijk doelen: een CO2 vrije toekomst, het stabiliseren van de klimaatverandering, het behoud van het mooie Nederlands landschap en de gegarandeerde levering van elektriciteit, ook wanneer de zon niet schijnt en de wind niet waait.

Lees hieronder onze volledige reactie.

EM201202_reactie

 

 

Nederlandse bodems zijn in prima staat

Kwaliteit van Nederlandse bodems kan beter, maar is prima

Het is gewoon geworden om te stellen dat intensieve landbouw de bodem vernielt. Wie echter in de wetenschappelijke literatuur duikt, ziet dat vooroordeel niet bevestigd, schrijven Hidde Boersma en Joost van Kasteren. Het debat over de toekomst van onze landbouw is meer gebaat bij een evenwichtiger opstelling. 

 

De Nederlandse bodem ligt onder vuur. Onlangs bracht de Raad voor de Leefomgeving (RLI) het rapport ‘De bodem bereikt’ uit, waarin het waarschuwde dat het niet goed gaat met de kwaliteit van de Nederlandse bodem, onder andere door te intensief gebruik in de landbouw. Het leverde mediakoppen op als ‘Slechte bodemkwaliteit in Nederland staat het halen van de klimaatdoelen in de weg’ in de Volkskrant en ‘Advies: meer actie nodig om kwaliteit van bodems te verbeteren’, bij de NOS.

Ook Rabobank-bestuursvoorzitter Barbara Baarsma bemoeide zich er mee in een interview in Trouw. Ze noemde de staat van de bodem ‘slecht’ en stelde dat de hoge druk op de bodem, de voedingswaarde van ons eten verlaagt, een stelling die ze in haar recente boek ‘Nederland voedselparadijs’ ook verdedigt. De opinies van het RLI en Baarsma vormen een echo van de verhalen die milieuorganisaties al langer vertolken: door te stellen dat de intensieve landbouw de bodem vernielt, proberen ze het landbouwsysteem in Nederland om te gooien

Maar klopt het ook? Om bij het laatste te beginnen: de voedingswaarde. Baarsma’s opmerking over teruglopende nutriëntgehaltes is rechtstreeks terug te voeren op het RLI-rapport: daar staat een grafiek in met angstaanjagende getallen: spinazie zou nog maar een derde van de vitamine C bevatten vergeleken met 1985, de hoeveelheid magnesium in aardappelen zou gehalveerd zijn sindsdien. Maar wie in de referentielijst op zoek gaat naar de bron komt uit bij de website Herbalvitality.info. Een verkoper van voedingssupplementen. De grafiek staat daar zonder enige wetenschappelijke onderbouwing. Het is zorgwekkend dat het RLI dit als bron gebruikt.

Wie zich in de wetenschappelijk literatuur verdiept, ziet dat het anders ligt

De Canadese wetenschapper Robin Marles verzamelde in 2017 voor het Journal of Food Composition and Analysis alle beschikbare data, en liet allereerst zien dat er weinig betrouwbaar onderzoek is gedaan, maar dat de beschikbare gegevens laten zien dat er nauwelijks verschillen zijn tussen oude en nieuwe gewassen. De inhoud van groente en fruit verschilt veel meer door het klimaat van een bepaald jaar, door toeval, of door het gebruik van andere rassen, dan door een verslechterende bodem. Als er al verschil gemeten wordt, dan is er sprake van het verdunningseffect: recentere gewassen groeien zo snel dat de verhouding koolhydraten versus vitamines en mineralen verandert. Andermaal heeft het niks met bodemkwaliteit van doen.

Dan het grotere plaatje: de algehele bodemkwaliteit. Het rapport van het RLI leunt sterk op werk van het Louis Bolk Instituut, een organisatie met antroposofische inslag, dat zich openlijk hard maakt voor kunstmestloze, biologische landbouw. Wie breder kijkt, ziet ook hier dat het verhaal genuanceerder ligt. Werk van bijvoorbeeld Jan Adriaan Reijneveld van de WUR laat zien dat het organische stofgehalte, een belangrijke indicator van de vruchtbaarheid, in Nederland in zijn geheel niet achteruit loopt, maar stabiel is. Ook werk van de Europese Unie en van de Verenigde Naties geeft de Nederlandse bodem goede scores: er is weinig erosie en degradatie.

Echte problemen doen zich voor op het Afrikaanse continent, waar arme boeren niet de middelen hebben om nutriënten terug te geven aan de bodem na de oogst, in de vorm van (kunst)mest of gewasresten, en landbouw dus een soort roofbouw wordt. Ook droge gebieden het Middellandse Zeegebied en de overgraasde velen van Kazachstan en Australië zijn problematisch.

Voor wie wel eens een Nederlandse boer bezoekt, is dit allemaal geen verrassing. Ze houden de kwaliteit van hun land strak in de gaten. Minstens een keer per jaar komt er iemand langs om het voedingsgehalte van hun bodem te meten en boeren streven er naar om de waarden op zijn minst stabiel te houden. Logisch, want het is een voorwaarde voor goede opbrengsten het jaar erna. Nederlandse boeren zijn doorgaans hoogopgeleid en kundig genoeg om goed op de bodemkwaliteit te letten.

Natuurlijk betekent het niet dat er niks verbeterd kan worden. Verdichting van de grond, door gebruik van te zware machines, is een probleem. Boeren proberen dit voorkomen door minder vaak met machines het land op te gaan, bovendien zijn lichtere, soms zelf onbemande machines in ontwikkeling. Ook het zogenaamde microbioom, het geheel aan klein leven in de bodem, heeft de aandacht. Boeren gebruiken minder bestrijdingsmiddelen en kunstmest dan 40 jaar geleden om het leven in de bodem te sparen. Ze experimenteren daarnaast met niet-kerende grondbewerking, een manier van landbouwen waarbij ploegen achterwege blijft, zodat het leven in de bodem heel blijft. Veel van deze kennis is nieuw, maar wordt met liefde geïmplementeerd.

Harde uitspraken dat de bodemkwaliteit in Nederland slecht is, dragen bij aan de polarisatie in het landbouwdebat

Het zet het conventionele landbouwsysteem neer als slecht, en de alternatieven als goed. Baarsma rept in haar Trouw-interview over het initiatief ‘Onder het Maaiveld,’ een samenwerking van onder andere het IUCN (dat de rode lijst opstelt), de Vlinderstichting en de ecologen van het NIOO-KNAW, die het tij wel even zullen keren. Het impliceert dat boeren niet zelf in staat zijn hun bodem te beheren, maar dat natuurorganisaties dat wel even zullen doen voor hen. Dat wekt wrevel. Als we de Nederlandse bodem, en de landbouw in zijn geheel willen verduurzamen dan moeten we de samen doen, op basis van eerlijke en gedegen wetenschap.

Hidde Boersma en Joost van Kasteren zijn beide bioloog en verbonden aan Stichting Ecomodernisme.

Nieuw: Studio Ecomodernisme, de podcast

Iedere maand een boeiend gesprek over een schone planeet en een goed leven voor iedereen: dat is de opzet van Studio Ecomodernisme. In deze podcast geven we vorm aan deze dialoog door in gesprek te gaan met interessante denkers. Studio Ecomodernisme is een samenwerking tussen Stichting Ecomodernisme en Ecomodernisme.be, het platform van onze Vlaamse strijdmakkers.

Te gast in onze allereerste aflevering is Gerard Govers, geograaf en vicerector aan de KU Leuven. In het debat over de aanpak van klimaatverandering brengt hij een heldere boodschap: we moeten álles doen. Over de sturende rol van de overheid schreef hij onlangs een hoofdstuk in het boek Meer: Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt. In Studio Ecomodernisme – opgenomen in de studio van Urgent.fm, ofwel de studio van de Universiteit Gent – praat gastheer Marco Visscher met Govers over zijn visie over wat de overheid moet doen om de klimaatcrisis te bezweren.

Klik hier om de podcast te beluisteren op uw platform van keuze:  https://podlink.to/StudioEcomodernisme. Vergeet niet te abonneren, zodat u nooit een aflevering mist.

 

Landelijk gebied opnieuw inkleuren

Hoe we de kaart van Nederland opnieuw kunnen inkleuren

Op initiatief van Stichting Ecomodernisme publiceerde een aantal hoogleraren, oud-ministers en andere experts dit voorjaar een open brief over de noodzaak om de hoogproductieve landbouw te concentreren en zo ruimte vrij te maken voor natuur, recreatie, zorg en extensieve vormen van landbouw. Onlangs hebben Rudy Rabbinge, emeritus hoogleraar van de Wageningen Universiteit en Pieter Winsemius, voorheen minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, het plan om het landelijk gebied opnieuw in te kleuren verder uitgewerkt in het tijdschrift Vork. Klik hier om het artikel te lezen.

Opinie: Kernenergie is geen rechts thema

Opinie: Kernenergie is geen rechts thema

Het past bij linkse politieke idealen om aan te sluiten bij de groeiende steun voor kernenergie in de strijd tegen klimaatverandering. Sterker, juist kernenergie kan progressieven en conservatieven bij elkaar brengen. Dat was de kern van het betoog dat Marco Visscher aanbood bij de Volkskrant. Op 22 september verscheen een ingekorte versie op de opiniepagina. Lees hieronder het hele artikel:

De stemming over de motie van VVD en CDA om bij marktpartijen de interesse inkernenergie te peilen, is duidelijk: rechts is voor, links is tegen. GroenLinks, PvdA, SP, D66 en de Partij voor de Dieren zien geen noodzaak om te onderzoeken of kernenergie onderdeel kan zijn van het klimaatbeleid.

Toch sluit kernenergie goed aan bij de linkse agenda. Progressieve denkers menen van oudsher dat de overheid een bepalende rol heeft in het industriebeleid en economische planning. Kerncentrales zijn streng gereguleerd en opereren in een gecentraliseerd systeem om elektriciteit te leveren aan het landelijke net. Dankzij de sterke inmenging van de overheid is kernenergie uitgegroeid tot de veiligste energiebron. De bouw van een kerncentrale mag duur zijn voor de investeerders, maar de opbrengsten voor de samenleving mogen niet worden ongeschat: als de overheid deels eigenaar is, zullen de opbrengsten via pensioenfondsen en sociale voorzieningen terugvloeien.

In moderne landen als Frankrijk, België en Zweden waar kernenergie een prominente rol in de energiemix speelt, werden kerncentrales gebouwd met een socialistische partij in de regering of zelfs aan het hoofd van het kabinet. Ook voor linkse boegbeelden als Lula da Silva in Brazilië en Evo Morales in Bolivia waskernenergie altijd een logische keuze. Het is niet verwonderlijk dat juist China en Rusland – landen met een (iets te?) sterke overheid – opklimmen tot de internationale koplopers in de nucleaire sector.

Sinds de liberalisering van de energiemarkt in de jaren negentig – op last van de Europese Unie – verdween de interesse in Europa om nieuwe kerncentrales te bouwen. Jesse Klaver had gelijk toen hij in de Tweede Kamer zei dat er in de afgelopen tien jaar geen nieuwe kerncentrale in Europa is opgeleverd. Het is de vraag of zijn triomfantalisme bij deze constatering gepast is. Europa heeft de verdere ontwikkeling van kernenergie gemist, ironisch genoeg juist in een tijd dat het besef van klimaatverandering toenam.

In de afgelopen jaren – zelfs maanden – is echter een verandering merkbaar. Boegbeelden van Extinction Rebellion hebben zich uitgesproken als activisten vóór kernenergie, zoals Zion Lights en Joel Scott-Halkes. Bekende milieubeschermers als Stewart BrandMark Lynas en George Monbiot deden dat al eerder. In Canada maakt de progressieve vakbond Power Workers’ Union zichsterk voor kernenergie.

Ook in de politiek is er verandering. De Democraten in de Verenigde Staten hebben voor het eerst in bijna vijftig jaar openlijk steun betuigd aan kernenergie. Presidentskandidaat Joe Biden wil álle technologiën met een lage CO2-uitstoot inzetten, noemt kernenergie daarbij expliciet en stimuleert innovatie op het gebied van kleine, modulaire reactoren die de bouwkosten moeten halveren. Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez, de drijvende motor achter de Green New Deal, heeft eveneens erkend dat kernenergie een rol zal spelen in een schone toekomst. Daarmee volgen zij het voorbeeld van Barack Obama. Democraten en Republikeinen vonden elkaar vorig jaar in een wetsvoorstel om de nucleaire regelgeving te moderniseren, dat bijna unaniem werd aangenomen en als wet werd ondertekend door president Trump.

In Europa is een vergelijkbare ontwikkeling gaande. De Britse Labour Party maakte eerder een omslag onder leiding van Jeremy Corbyn, die zelf ooit actievoerde tegenkernenergie. In Finland heeft de Groene Liga het verzet tegen kernenergie opgegeven en erkend dat de feiten wijzen op een positieve invloed van kernenergie. De nieuwe, pro-Europese progressieve partij Volt staat er positief tegenover.

In Nederland lijken de politieke partijen vooralsnog niet mee te bewegen. De kiezers doen dat echter wel. Als we er de klimaatdoelstellingen mee kunnen halen, is een meerderheid van de Nederlandse bevolking vóór de bouw van nieuwe kerncentrales. Terwijl politici er hun vingers niet aan lijken te willen branden, zien we steun bij een meerderheid van kiezers die stemmen op partijen als D66 en GroenLinks. Het betekent dat er electoraal iets te winnen valt wanneer een partij op links zich positiever opstelt tegenover kernenergie. Mensen blijken heel goed in staat om de steeds nijpender risico’s van klimaatverandering af te wegen tegen de vaak ingebeelde en overdreven risico’s van kernenergie.

In zekere zin is het merkwaardig dat juist de VVD zoveel interesse toont inkernenergie. De vrije markt is geen gunstig uitgangspunt voor de bouw van de kerncentrales die Nederland nodig zal hebben om centrales op kolen en gas uit te schakelen. Daarvoor is een sterke overheid essentieel – en dat is juist het speelterrein van links. Omdat we klimaatverandering gezamenlijk zullen moeten aanpakken, is een keuze voor kernenergie wellicht een passend begin.

Marco Visscher schrijft en spreekt over het klimaatbeleid. Hij is auteur van De energietransitie: Naar een fossielvrije toekomst, maar hoe? Volgend voorjaar verschijnt zijn nieuwe boek, Kernenergie? Ja graag!

Beeld: Fietzfotos/Pixabay

 

Stichting Ecomodernisme steunt Stand Up for Nuclear

Deze maand zullen door heel Nederland mensen uiting geven aan hun wens om kernenergie onderdeel te laten zijn van het klimaatbeleid. In steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Deventer en Vlissingen vinden lokale acties plaats van 19 tot en met 27 september. Stichting Ecomodernisme steunt het initiatief en verrichtte alvast de aftrap in Amsterdam. (Op de foto van links naar rechts: Ralf Bodelier, Mirjam Vossen, Joris van Dorp, Linda Fontijn, Marco Visscher en Joost van Kasteren.)

De acties maken deel uit van Stand Up for Nuclear: een campagne van de groeiende internationale beweging van klimaatactivisten en natuurbeschermers die opkomen voor kernenergie. Kerncentrales leveren CO2-vrije energie, sparen het landschap en de natuur, en zijn een duurzaam alternatief voor fossiele centrales op aardgas of steenkool. De deelnemers zien kernenergie als onderdeel van de oplossing voor grote uitdagingen, zoals de opwarming van de aarde, het verlies van biodiversiteit en de toenemende behoefte aan energie in arme en opkomende landen.

Dit jaar zullen betrokken burgers hun steun voor kernenergie laten blijken op pleinen, in parken, voor treinstations en bij monumenten. Hier gaan ze in gesprek met voorbijgangers over de voordelen van (en misverstanden over) kernenergie. Deze maand zijn er acties in 18 landen, van Argentinië tot Zuid-Korea. In Groot-Brittannië was er steun van bekende actievoerders als Zion Lights (voormalig Extinction Rebellion) en auteur Mark Lynas. In Duitsland vonden voorstanders van kernenergie elkaar bij het hoofdkantoor van Greenpeace.

Stand Up for Nuclear staat los van politieke en commerciële belangen. Een overzicht van de manifestaties in Nederland wordt hier bijgehouden. Aanmeldingen voor acties zijn welkom op mail@nuclearpride.nl. In Nederland wordt Stand Up for Nuclear gesteund door Stichting Ecomodernisme, Stichting Thorium MSR en NuclearPride.nl. Deze maken onderdeel uit van de Nuclear Pride Coalition, een internationaal verband van pro-nucleaire NGO’s zoals Environmental ProgressSaving Our Planet en Mothers for Nuclear.

Waarom de wereld niet minder, maar méér energie nodig heeft

Geef de mens genoeg energie en hij bezit superkrachten. Hoezo, vraagt Marco Visscher zich af, is het dan progressief om kleinschalige, dure energie te steunen? Een hoofdstuk uit het boek Meer: Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt.

Door Marco Visscher

I

Het ging van tring-tring en vroem-vroem. Ineens maakten telefoons en auto’s de wereld groter – een wereld waarvan Amerika zojuist de leider was geworden. In de avond was er de radio, in het weekend de bioscoop. De man werkte op een kantoor, de vrouw droeg een korte rok en samen dansten ze de charleston. In de roaring twenties gebeurde het allemaal in de stad.

In de uitgestrekte vallei van de Tennessee kregen de boeren daar niets van mee. IJverig verbouwden zij voedsel voor familie en vee. Oogsten waren wisselvallig; al te vaak zette de duizend kilometer lange rivier het land onder water. De meeste bossen waren gekapt, de gronden uitgeput, de wegen hobbelig. Bijna een derde van de inwoners kreeg malaria. Er was geen goede gezondheidszorg, geen riolering en geen elektriciteit.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwden de Amerikanen in dit heuvelachtige gebied – om precies te zijn in Muscle Shoals, in het noorden van Alabama – twee wapenfabrieken voor de productie van explosieven. De benodigde elektriciteit kwam van een nieuw aangelegde waterkrachtcentrale. Het hele complex was nog maar net open toen de oorlog eindigde. In 1920 kwam het zaakje in de verkoop.

Henry Ford, de automagnaat, had belangstelling. Hij wilde de regio moderniseren met de elektriciteit van de waterkrachtcentrale en met de productie van kunstmest in de twee fabrieken. Zijn bod: 5 miljoen. Het voorstel werd besproken in het Amerikaanse Congres, waar het op verzet stuitte van George Norris, een senator uit Nebraska. Een schijntje, vond hij het, want de waterkrachtcentrale en de fabrieken hadden de Amerikanen 130 miljoen dollar gekost. Mocht het Congres instemmen met het bod van Ford, zou dat “het grootste geschenk zijn dat ooit aan de mensheid is gegeven sinds het werd bevrijd van de erfzonde”.

Norris wantrouwde commerciële energieleveranciers. Zij beheersten de energiemarkt, praktisch ongehinderd door enige regulering, en vroegen exorbitante prijzen. Norris vreesde dat Ford uit was op winst, evenals andere potentiële kopers. Energie, zo vond hij, moest niet zozeer winstgevend zijn maar goedkoop. Hij had een beter plan: de Amerikaanse overheid moest die elektriciteit gaan leveren in de wijde omtrek.

De eigenzinnige senator lag net zo lang dwars totdat Ford zijn bod introk. De verkoop werd afgeblazen. Hij kreeg echter geen steun voor zijn wetsvoorstel voor nationalisering van de elektriciteitsvoorziening in Muscle Shoals. Twee Republikeinse presidenten hielden het tegen. Norris gaf niet op. In 1933 lag zijn plan aan de basis van een uniek staatsbedrijf dat voor miljoenen landgenoten elektriciteit zou leveren. De oprichtingsakte van de Tennessee Valley Authority (TVA) werd gesierd met een handtekening van de net aangetreden president Franklin D. Roosevelt.

Energie, zo vond de eigenzinnige senator, moest niet zozeer winstgevend zijn maar goedkoop

In tien jaar bouwde de TVA zestien waterkrachtcentrales. De regio, inclusief delen van Kentucky, Georgia, Mississippi, Virginia en North Carolina, zou onherkenbaar veranderen. Stuwdammen verlegden de loop van de Tennessee, met stuwmeren die wateroverlast voorkwamen. De stroom, opgewekt met turbines langs de sluizen, trok industrie aan, er kwamen nieuwe banen. Boeren konden hun land irrigeren en zagen hogere opbrengsten dankzij de grootschalige productie van kunstmest – een proces dat veel energie vergt. Werknemers van de TVA gingen bomen planten en creëerden nationale parken en honderden recreatiegebieden. Je kon er fijn wandelen, fietsen en vissen. De natuur was getemd en iedereen bloeide op.

Een daverend succes, dat was het. In 1930 beschikte slechts tien procent van de Amerikaanse boeren over elektriciteit, twintig jaar later was dat negentig procent. In de tussentijd stimuleerde de overheid het elektriciteitsgebruik in huishoudens. Campagnes wezen vrouwen – vooral vrouwen – op het gemak van een wasmachine, een koelkast en een fornuis. Hoofdfiguur in de advertenties was Reddy Kilowatt, “uw onvermoeibare huissloof”.

De komst van de TVA markeerde een historische overgang: van goedkope arbeid naar goedkope energie. Twintig jaar later was het staatsbedrijf uitgegroeid tot het kroonjuweel van de New Deal, het hervormingsprogramma dat de VS uit de crisis van de jaren dertig haalde. Dit werd het model voor andere landen om achtergebleven gebieden te moderniseren. En George Norris, de aanjager van de TVA, werd vele jaren na zijn dood uitgeroepen tot de beste senator uit de Amerikaanse geschiedenis.

De ontstaansgeschiedenis van de Tennessee Valley Authority  staat symbool voor een progressieve agenda. We zien het verlangen om welvaart te creëren en te verspreiden. We zien ook de overtuiging dat de overheid een bepalende rol heeft. En we zien zelfs een prille gevoeligheid voor milieuzorg – een gevoeligheid die zo zou aanzwellen dat ze honderd jaar later de vooruitgang is gaan dwarsbomen.

II

Vandaag lijken de levensomstandigheden van veel mensen in ontwikkelingslanden op die van de bewoners van de drassige vallei van de Tennessee, amper een eeuw geleden. Ze verbouwen hun eigen voedsel, met wisselvallige oogsten, afhankelijk van het weer, op uitgeputte gronden in ontboste gebieden waar malaria heerst, zonder verharde wegen, zonder goede gezondheidszorg, zonder riolering en elektriciteit.

Om te koken of warm te blijven, zijn zo’n drie miljard mensen – vier op de tien wereldbewoners – aangewezen op biomassa, ofwel: bij elkaar gesprokkelde takken, aangevuld met gedroogde mest, bladeren en stengels. In de omgeving zorgt dat voor ontbossing, bodemerosie en verlies van biodiversiteit. In slecht geventileerde huizen en hutten leidt de rook tot longziekten, hartkwalen en luchtweginfecties. Zeker anderhalf miljoen mensen sterven ieder jaar door de rook binnenhuis. Meer dan de helft van hen zijn baby’s, peuters en kleuters.

Van die drie miljard mensen beschikt ongeveer één miljard niet over elektriciteit, de rest over slechts een piepklein beetje. Dat is vooral zo in landelijke gebieden in Afrika en Azië. In de steden is het er beter, maar of er werkelijk iets uit het stopcontact komt, is vaak maar de vraag; een stroomuitval kan wel weken duren. Het is volgens experts juist deze vorm van energie die cruciaal is voor ontwikkeling, omdat ze het alledaagse leven verbetert, vooral voor vrouwen, en een fundament legt voor modernisering. Elektriciteit is, in de woorden van energie-analist Robert Bryce, de ultimate poverty killer.

De gebrekkige toegang tot moderne energie houdt sociaal-economische ontwikkeling tegen. De meeste mensen, jong en oud, werken op het land waar ze onkruid wieden. Vrouwen moeten iedere dag opnieuw koken en wassen. In ziekenhuizen en gezondheidsklinieken bederven medicijnen of valt het licht uit tijdens een operatie of bevalling.

Elektriciteit is, in de woorden van energie-analist Robert Bryce, de ultimate poverty killer

De oplossing is er allang. Aan het einde van de negentiende eeuw wilde Thomas Edison zijn gloeilampen verkopen. Voor zijn lamp had je stroom nodig, dus liet hij een complete infrastructuur aanleggen. Edison volgde het model van de bedrijven die centraal opgewekte energie via pijpleidingen aanleverden bij de klanten – vooral fabrieken en notabelen – die licht en warmte afnamen. Edison legde het fundament voor de opkomst van nieuwe en kleine elektrische apparaten die het werk in het huishouden zouden verlichten. (Excuses voor de woordspeling.)

Nog niet iedereen profiteerde, zoals ook senator Norris en president Roosevelt later zouden opmerken. De elektriciteitsbedrijven vonden het te duur om afgelegen gebieden te bedienen. De arme sloebers zouden de rekening toch niet kunnen betalen. Daarom bleven ook arbeiderswijken in de steden afgesneden van de diensten. Linkse denkers en activisten voerden vurig campagne om de geneugten van het moderne leven naar het gewone volk te brengen.

Karl Marx bijvoorbeeld. In het Communistisch Manifest uit 1848 roemde hij “de onderwerping van de natuurkrachten, aanwending van de scheikunde op nijverheid en landbouw, machinerie, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, het bevaarbaar maken van de rivieren”. Volgens Marx moesten we voortbouwen op deze verworvenheden en de terreinen van industrie, wetenschap, telecommunicatie en landbouw verder ontwikkelen. Dan konden ook de sloebers er de vruchten van plukken.

Het bleef niet bij Marx. In de eerste zin van een artikel uit 1923 schreef Sylvia Pankhurst, net als haar moeder Emmeline een befaamde voorvechtster van vrouwenkiesrecht: “Socialisme betekent overvloed voor iedereen.” En even verderop: “We prediken geen evangelie van gebrek en schaarste, maar van overvloed.” En: “Wij roepen niet op tot geboortebeperking of spaarzaamheid (…). Wij vragen om een weergaloze productie voor alle mensen – en meer dan alle mensen kunnen consumeren.”

De levering van energie is zo cruciaal voor de menselijke ontwikkeling, dat niemand er verstoken van moet blijven

In die jaren werkte de nog jonge Sovjet-Unie aan de aanleg van een gigantisch elektriciteitsnet. Het was het paradepaardje van de revolutionair Vladimir Lenin die in 1920 als slogan gebruikte: “Communisme is Sovjetmacht plus de elektrificatie van het hele land.” Het netwerk van regionale energiecentrales, waaraan ook Lenins opvolgers werkten na zijn dood in 1924, moest de enorme verschillen tussen stad en platteland opheffen. Het zou de economie transformeren, industrialisatie op gang brengen en een einde maken aan de schrijnende armoede.

Het waren niet alleen de stemmen op de politieke linkerflank die het belang van energie herkenden. De Tennessee Valley Authority kwam weliswaar tot stand onder Roosevelt, een Democraat, maar George Norris was een Republikein. Norris bewees dat zelfs conservatieven in een kapitalistisch land het erover eens waren dat de staat zich moet bemoeien met de levering van energie. Die is zo cruciaal voor de menselijke ontwikkeling, dat niemand er verstoken van moet blijven. Want energie die altijd beschikbaar is en nog betaalbaar ook, levert ons superkrachten.

III

Op de website van Greenpeace lezen we over klimaatverandering. Een warmere planeet kan ecosystemen en samenlevingen ontwrichten. “Gletsjers smelten, poolijs verdwijnt, de zeespiegel stijgt, koraalriffen verbleken en hevige droogten veroorzaken honger en oorlog.” Als het probleem is geschetst, lezen we: “De oorzaak: we verbruiken (en verspillen) te veel energie.”

Dit is een veelvoorkomende, maar onjuiste typering. Niet energie, maar fossiele brandstoffen zijn de oorzaak van klimaatverandering.

De verwarring ligt voor de hand. Van alle energie die we op aarde gebruiken, is liefst tachtig procent afkomstig van fossiele brandstoffen. Bij de verbranding van kolen, olie en gas komen broeikasgassen vrij, zoals CO2, waardoor de aarde opwarmt. De energiesector geldt als de voornaamste veroorzaker van klimaatverandering. Deze onmiskenbare feiten hebben geleid tot het problematiseren van energie. Immers, als nog eens miljarden mensen zomaar meer energie gaan gebruiken, gaat de wereld naar de gallemiezen.

Die les klonk ook in de jaren zestig. Een ontluikende milieubeweging vroeg aandacht voor de eindige voorraden van grondstoffen en voor de vervuiling van bodem, water en lucht. De oplossing: grenzen aan de groei. Minder energie. Minder consumeren. Minder auto rijden. Minder vliegen. Minder vlees eten. Minder douchen. Minder kinderen krijgen…

Vooral energie – als motor van alle materiële voorspoed – kreeg een kwalijke klank. “De samenleving voorzien van goedkope, overvloedige energie is hetzelfde als een mitrailleur geven aan een achterlijk kind,” schamperde Paul Ehrlich, auteur van The population bomb. Een andere intellectueel kopstuk, Amory Lovins, stelde dat het de essentie van de groene overtuiging is om “zo weinig mogelijk energie” te verbruiken. Want, volgens het fameuze motto van E.F. Schumacher uit de jaren zeventig: “Klein is fijn.”

De oplossing van de milieubeweging – minderen – stond haaks op alles waarvoor progressieve roergangers eerder vochten

Minderen stond haaks op alles waarvoor progressieve roergangers eerder vochten. Toch belandde het woord in het rode vocabulaire. Na de val van communistische regimes in Oost-Europa in 1989 moest links zichzelf opnieuw uitvinden. Er was materiële welvaart, een sociaal vangnet en politieke vertegenwoordiging. Hoe nu verder?

Inspiratie kwam van de milieubeweging. De verwantschap zat ‘m vooral in de kritiek op het kapitalisme. Welvaart, overvloed, vooruitgang: deze oude idealen waren niet langer een gezond streven voor de achterblijvers. Nee, ze werden honend bestempeld als fabeltjes of hoogmoed of asociale hebzucht. De boodschap: het streven naar een beter leven is gelukt, nu gaan we de planeet redden.

De groeiambities van weleer maakten plaats voor “duurzame ontwikkeling”. Die term, uit 1987, benadrukt dat economische groei niet ten koste mag gaan van het milieu: de grondstoffen, de atmosfeer, de biodiversiteit, de hele riedel. De aarde is immers begrensd, daarom moet ook de welvaart worden begrensd. Duurzame ontwikkeling was een dorp in Afrika waar vrouwen in de weer gingen met kokosolie en gedroogde bananenschillen om zeepjes te maken voor The Body Shop.

Karl Marx had zo’n aalmoes waarschijnlijk niet herkend als het gebaar van iemand die de wereld wil veranderen. Klein is misschien fijn, volgens het leerstuk van de Westerse milieubeweging, maar niet als je rondom de armoedegrens leeft. Dan is klein niet groot genoeg.

Dankzij het huwelijk van de milieubeweging met de progressieve flank kon het gebeuren dat een pleidooi voor decentrale, kleinschalige opwekking van duurzame energie vooruitstrevend werd. Een zonnepaneel op een stoffige hut of een zonne-oven werken toch ook prima? In de maand van de eerste VN-conferentie over duurzame ontwikkeling in 1992 betoogde Al Gore dat “elektriciteitsnetten niet noodzakelijkerwijs wenselijk zijn” en opperde dat ze wellicht “ongeschikt” waren voor ontwikkelingslanden. Een groter contrast met Roosevelt, zestig jaar eerder, is niet mogelijk. Vlak voor zijn klinkende verkiezingszege zei Roosevelt in een toespraak: “Elektriciteit is niet langer een luxe. Het is een absolute noodzaak.”

Klein is misschien fijn, volgens de Westerse milieubeweging, maar niet als je rondom de armoedegrens leeft

In hun visie voor de toekomst lijken de van kleur verschoten linkse denkers iets te vergeten. Want zodra aandoenlijke projecten voor micro-energie een doel op zich zijn, en niet een opstap naar de elektrificatie van een land, vormen ze geen bedreiging van de gevestigde orde. Sterker, dan dienen ze de belangen van de elite.

De vergroening van links betekende een complete ommekeer binnen de progressieve beweging. Die was tweehonderd jaar eerder ontstaan als kritiek op de gangbare overtuiging dat alle ellende – armoede, honger, ziekte, ongelijkheid – een onafwendbaar lot van de natuur was waar niets aan te doen was. De revolutionairen meenden juist dat die problemen niet natuurlijk, maar sociaal waren. Vandaar de naam, “socialisten”. Ze stonden op tegen de machthebbers. Als we de samenleving anders inrichten, stelden zij, kunnen we oude problemen aanpakken.

Wilden de vroege linkse denkers in hun streven naar lotsverbetering de grillige natuur onttronen en bedwingen, de conservatieven wilden haar beschermen en vereren. Te midden van snelle maatschappelijke veranderingen wilden zij waardering kweken voor traditie, natie en historie. Zij keerden zich tegen de uitbreiding van de verloederende steden en stelden natuurparken in. Natuurbehoud – conservation in het Engels – is in wezen een conservatief streven. Het progressieve streven daarentegen is beheersing van de natuur, opdat we kunnen voorzien in onze behoefte aan ontwikkeling.

De verwisseling van oude idealen voor conservatieve standpunten verliep geruisloos. Dertig jaar na de vermenging van rood met groen mag je jezelf progressief noemen als je de natuur onaantastbaar verklaart en de grenzen van de aarde respecteert. Je steunt biologische landbouw, maant tot terughoudendheid, legt baanbrekende technieken aan banden en wantrouwt de politieke wil van lager opgeleiden.

“Revolutie!”, klonk ooit de klassieke strijdkreet. De nieuwe luidt: “Wees voorzichtig!”

IV

Een beter leven voor iedereen, in vrede en voorspoed, gezondheid en geluk: wie wil dat niet? De Verenigde Naties willen het. Ze bedachten eerst de Millenniumdoelen. Daarna vervingen ze die door Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Zeventien stuks werden het: van het uitroeien van armoede en honger tot het verbeteren van infrastructuur en sanitaire voorzieningen. Deze doelen kunnen niet slagen zonder de levering van de nodige energie. “Toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen in 2030” is – niet verwonderlijk – een doel op zich. Het is doel nummer 7.

De vraag is dan hoeveel energie de VN ziet als voldoende om aan doel 7 te voldoen. Een zoektocht leert dat het gaat om elektriciteit, de vorm van energie die historisch gezien de moderniteit inluidt. Dat gaat goed! Maar: hoevéél is het?

Vast niet zoveel als Nederland verbruikt: zo’n 120 miljard kWh in een jaar. Verspreid over 17 miljoen inwoners is dat 6800 kWh. Het verbruik ligt bij de verspillende Amerikanen aanmerkelijk hoger met hun 12.000 kWh. Zoveel hoeft het natuurlijk niet te zijn.

Ligt de drempel misschien op 4000 kWh per persoon per jaar? Dat zou volgens de maatstaven van de Human Development Index van de VN het minimum zijn voor een leven in welzijn, met voldoende voedsel en een goede gezondheid, onderwijs, drinkwater en riolering. Of is het misschien 3000 kWh? Dat geldt bij de Wereldbank als het hoogste niveau van energietoegang.

Duurzame Ontwikkelingsdoelen kunnen niet slagen zonder de levering van de nodige energie

Om het cijfer nauwkeurig te bepalen, baseren de mensen van de Verenigde Naties zich op de experts van het Internationaal Energieagentschap (IEA), een organisatie van 29 landen, voornamelijk uit het Westen. Zij hebben bepaald wat precies moet worden verstaan onder “universele toegang tot energie”, ofwel de energie waarmee iemand kan voorzien in de “menselijke basisbehoeften”. Hoeveel energie is dat? Het is 500 kWh.

Of nee, wacht, dat is per huishouden. Per persoon per jaar is het 100 kWh.

Althans, als je in de stad woont. In landelijke gebieden moet je toe met de helft.

En voor alle duidelijkheid: in dat cijfer zit dan ook alvast het stroomverbruik van ziekenhuizen, scholen, kantoren, fabrieken…

Hoeveel is 100 kWh per persoon per jaar? Het is flink minder dan wat uw koelkast in een jaar verbruikt. Het is net genoeg om op een dag vijf uur een lampje te laten branden en een mobiele telefoon op te laden. Een gemiddelde Nederlander verbruikt 100 kWh in vijf dagen. Je vraagt je af waarom die ondergrens zo laag is. Als dit energiegebruik voor u niet voldoende is, waarom zou het voldoende zijn voor anderen?

Gelukkig lezen de meeste mensen in arme en opkomende landen die rapporten niet. Het is de verwachting dat zij meer energie zullen verbruiken in de komende decennia – heel wat meer energie, en dan vooral meer elektriciteit. Wereldwijd zal de totale energievraag, dus inclusief warmte en transport, in 2050 zijn verdubbeld. Elektriciteit groeit sneller. In 2018 steeg het mondiale verbruik van elektriciteit met vier procent. Als die groei aanhoudt, is er al vóór 2040 sprake van een verdubbeling. Veruit de meeste groei is in Azië en Afrika.

Wat gaan ze daar doen met die elektriciteit? Er komt een koelkast om eten in te bewaren. Er komt een televisie. Lampen in ieder vertrek. Kinderen zullen ’s avonds in bed lezen. Een computer verschijnt in huis en haalt de wereld binnen. Misschien, hoopt de vrouw, komt er ooit een wasmachine. En ze gaan vermoedelijk, zodra het kan, een airconditioner kopen.

Onderschat de airconditioner niet. Arme landen zijn warme landen, de mensen snakken naar verkoeling. Het IEA schreef in een rapport dat de verkoop van airconditioners in de komende decennia zo zal stijgen, dat er dertig jaar lang iedere seconde tien nieuwe zullen worden verkocht. Alle airconditioners in 2050 hebben 6200 terawattuur stroom nodig. Dat is wat China nu in één jaar verbruikt.

Onze moderne energie – onzichtbaar, reukloos – waarderen we pas als de stroom even uitvalt

In rijke landen gaat de elektrificatie een nieuwe fase in. We gaan volgens het klimaatbeleid elektrisch rijden, elektrisch koken, elektrisch verwarmen. Maken we de wereld nóg duurzamer, dan schakelen we over op kweekvlees en gebruiken we waterstof – processen die veel elektriciteit vereisen. En dan zijn er de jonge, aanstormende sectoren die stroomslurpers zijn: van robotica en biotechnologie tot de datacentra voor internetgiganten. Ging de negentiende eeuw over steenkool en machines, en de twintigste eeuw over olie en motoren, dan gaat de eenentwintigste eeuw over elektronen en bits – over elektriciteit.

De stijgende vraag naar energie wordt niet overal met enthousiasme begroet. Zet er vraagtekens bij en u geeft blijk van progressieve intelligentie. Is al die energie wel echt nodig? Schaden we milieu en klimaat niet nu al te veel? Moet het niet eerst duurzamer? Kan het niet wat zuiniger? Kunnen we niet leren gelukkig te zijn met minder?

In een land als Nederland zijn die vragen niet onbegrijpelijk. Onze moderne energie – onzichtbaar, reukloos – waarderen we pas als de stroom even uitvalt of de boiler kuren vertoont. Sommigen brengen bewust offers voor het milieu. Zij geven hun auto op, houden vakantie in eigen land en doen de afwas met een borstel. Geprezen zijn zij, ook al maakt hun gedrag natuurlijk geen ene zier uit in het grote geheel der dingen. Hoe gaan honderden miljoenen mensen dezelfde keuzes maken zonder enige vorm van dwang?

En: hoe overtuig je de miljarden mensen die hopen dat er op een goede dag een George Norris of een Franklin D. Roosevelt voorbijkomt?

V

Nadat Roosevelt in 1933 de Tennessee Valley Authority oprichtte, begon een moeizaam proces. Stuwdammen en stuwmeren zouden hele stukken land onder water zetten: meer dan vijftienduizend families moesten huis en haard verlaten. Begraafplaatsen werden leeggehaald om de doden elders te begraven. Wie land had, werd uitgekocht en moest verhuizen. Het was een pijnlijke ervaring voor veel mensen – eentje die nog bij volgende generaties verbittering kweekte.

Doorgaans gingen de boeren van een gammele blokhut naar een ruimere woning, voorzien van gas en elektra, in nieuwe dorpen en stadjes. Voor de meesten was het een aanmerkelijke verbetering, voor anderen bleven oude problemen bestaan. Soms kwamen er nieuwe problemen bij, zoals de toestroom van tijdelijke arbeiders en de vanuit Washington opgelegde rassensegregatie.

Het is nu bijna niet voor te stellen, maar er was nauwelijks debat over het tragische lot van deze mensen die afscheid moesten nemen van het land waar hun families generaties lang woonden en werkten. De afweging tussen de gedwongen verhuizing van duizenden families en de levering van goedkope stroom aan miljoenen Amerikanen, was kennelijk snel gemaakt. Volgens de heersende opinie van die tijd golden de betonnen bouwwerken, die het woeste water beteugelden en benutten, als symbolen van technologische bravoure. De levering van elektriciteit was een teken van vooruitgang.

Veertig jaar later beschikte de TVA over een reeks waterkrachtcentrales, plus diverse kolencentrales en gascentrales, en bouwplannen voor zeventien kerncentrales. Maar ineens stokte de expansie. Toen de bouw van weer een nieuwe stuwdam, de Tellico-dam, bijna gereed was, was daar de ontdekking van de percina tanasi, een straalvinnige vissoort uit de familie van de baarzen, niet groter dan een wijsvinger. In 1973 had een bioloog, David Etnier, dit baarsje opgemerkt in een zijrivier van de Tennessee. Etnier redeneerde dat de ingebruikname van de stuwdam het leefgebied van deze baars vernielde: de percina tanasi zou uitsterven. Dat was in strijd met de Endangered Species Act, de wet die later dat jaar werd aangenomen om bedreigde diersoorten te beschermen.

Alleen in een land met voldoende energie en economische ontwikkeling kan het milieu centraal staan

Er volgde een jarenlange controverse die werd uitgevochten tot in het Congres en het Hooggerechtshof. De tegenstanders van de stuwdam wonnen de juridische strijd, maar via een amendement werd de bouw ternauwernood alsnog afgerond. De poorten van de Tellico-dam sloten uiteindelijk in 1979. De percina tanasi was gevangen en uitgezet in andere stroomgebieden, waar ze opklom van bedreigde naar kwetsbare diersoort.

Wat was er gebeurd tussen de jaren dertig, toen de gedwongen verhuizing van vijftienduizend families volkomen acceptabel was bij de productie van elektriciteit, en de jaren zeventig, toen uitbreiding van de energievoorziening werd gezien als een inbreuk op het leven van een straalvinnige vissoort? In één woord: welvaart.

In de tussenliggende decennia hadden alle Amerikanen het een stuk beter gekregen. Iedereen een auto, iedereen een koelkast, iedereen een wasmachine, een televisie, een platenspeler, een broodrooster. Een scheerapparaat voor de man, een stofzuiger voor de vrouw. De werkweek werd korter, het inkomen hoger. Families gingen op vakantie, jongeren gingen studeren, vrouwen kregen steeds meer onafhankelijkheid, zwarten kregen burgerrechten. De droom van Marx, Pankhurst en Lenin was uitgekomen – al verliep de weg ernaartoe anders dan zij hadden bepleit.

Met het uitdijen van de middenklasse ontstond een breder besef van verantwoordelijkheid. Het milieu moest schoner. Met welvaart kregen we dat voor elkaar. Politieke maatregelen zorgden voor een beter milieu en herstel van de schade. Bedrijven gingen schoner en efficiënter produceren. Zo keerde de trend: voor het eerst sinds lange tijd werd het milieu weer schoner.

Illustratief is de huidige website van TVA. In een prominente navigatiebalk op de homepage kun je klikken op, van links naar rechts: “energie”, “milieu” en “economische ontwikkeling”. Alleen in een land met voldoende energie en economische ontwikkeling kan het milieu centraal staan.

VI

Zonder twijfel wordt klimaatverandering de belangrijkste ecologische uitdaging in de 21ste eeuw. Bij inwoners van Westerse democratieën klimt het thema op de prioriteitenlijst, in ontwikkelingslanden bungelt het onderaan op die lijst. Maar onderaan of bovenaan, het is bedenkelijk dat de aanpak van zo’n omvangrijke uitdaging als klimaatverandering vooral steunt op de wensen van de eerste groene denkers uit de jaren zestig: energiebesparing én een transitie naar hernieuwbare energie. Dit zijn de twee pijlers van het klimaatbeleid in 175 landen – en ze zullen energie onbetrouwbaar en duur maken.

Ga maar na. Zelfs wanneer zonnepanelen in een verlaten woestijn en windmolens langs de waaierige kustlijn veel stroom kunnen leveren aan het elektriciteitsnet, dan nog blijven ze afhankelijk van het weer. Zolang ze niet op afroep stroom leveren, moeten grote elektriciteitscentrales (bijvoorbeeld op biomassa, aardgas of steenkool) inspringen op de dagen en weken zonder zon of wind.

Ook schroeft het klimaatbeleid de prijs van energie op. Denk aan de handel in CO2-emissies of de subsidies die de installatie van windmolens en zonnepanelen moeten aanmoedigen en hun gebreken moeten compenseren. Een belasting op CO2 zal hetzelfde effect hebben. Het gebeurt buiten onze portemonnee om, maar uiteindelijk zijn wij het die ervoor betalen. Wie minder inkomen heeft, is relatief meer geld kwijt aan energie. Nergens in Europa is de energierekening zo hoog als in Duitsland en Denemarken, landen die bekendstaan als klimaatkoplopers.

De twee pijlers van het klimaatbeleid zullen energie onbetrouwbaar en duur maken

Van alle energie die de wereld verbruikt, komt niet meer dan anderhalve procent uit zon en wind. Ruim dertig jaar nadat klimaatverandering werd aangemerkt als een serieus probleem en overheden steeds meer subsidies beschikbaar stelden voor hernieuwbare bronnen is anderhalve procent niet erg indrukwekkend. Dat aandeel gaat ongetwijfeld stijgen, maar de snelle groei in de duurzame sector kan amper de stijgende vraag naar energie bijbenen. Andere bronnen zijn namelijk óók populair.

Zoals steenkool, met afstand de meest gebruikte brandstof voor stroom. Steenkool kost maar een schijntje. Heel veel landen hebben kolen in de grond liggen, en dan ook nog eens heel veel kolen: dat voorkomt dat de prijs kwetsbaar is, zoals bij olie. Er is zoveel ervaring met kolencentrales, dat het technologisch en financieel een peulenschil is om er een te bouwen. Dat gebeurt volop.

Of aardgas. Aardgas stoot de helft minder CO2 uit dan steenkool, en ook minder andere stoffen die de lucht vervuilen. Dat is een voordeel. Je kunt gas gebruiken voor van alles en nog wat: elektriciteit, transport, warmte en koken, maar ook in de productie van kunstmest, staal, cement en plastic. Met grote, recente gasvondsten in Afrika en de Verenigde Staten kunnen we nog tientallen jaren vooruit.

Of kernenergie. Kerncentrales leveren constante CO2-vrije energie, zonder luchtvervuiling. Wel kost de bouw veel geld, veel tijd en veel specialistische kennis. Toch wijzen studies uit dat kernenergie het best in staat om te voorzien in een snel groeiende energievraag op een snel opwarmende planeet. Met name Rusland bouwt kerncentrales in andere landen.

Het wordt de ontwikkelingslanden niet gemakkelijk gemaakt. Onder druk van actiegroepen besloot de Wereldbank geen financiële hulp meer te verstrekken aan projecten met steenkool. Bij waterkrachtcentrales ligt dat intussen buitengemeen lastig, want die zouden zomaar ecosystemen verstoren. En met een plan voor een kerncentrale hoef je ook niet aan te kloppen. De Wereldbank – missie: to end extreme poverty – maakt zich bij energiezaken eigenlijk nog enkel sterk voor zonnepanelen en windmolens.

Wij mogen in Nederland graag discussiëren over welke bronnen – in de woorden van Al Gore – “gepast” zijn, maar laten we wel zijn: ieder land zal zijn eigen keuzes maken. De beleidsmakers hebben heel praktische overwegingen voor hun voorkeuren. Iets onveranderlijks als de ligging van een land kan soms bepalend zijn. Azië heeft veel steenkool, Afrika is juist rijk aan gas en heeft veel potentie voor waterkracht en geothermie. Andere keren wordt gekozen voor de goedkoopste optie en natuurlijk spelen dubieuze zakelijke belangen soms een rol.

Wie leeft in armoede, wordt beperkt in zijn ontwikkeling. Energie bevrijdt hem van de ketenen van de natuur

Bij ons vallen zulke keuzes onder klimaatbeleid, in de meeste andere landen onder economisch beleid. De keuze voor de gepaste energiebronnen zullen hier en daar worden ingegeven door zorgen over CO2-uitstoot, maar meestal niet. Roger Pielke Jr., auteur vanThe climate fix, stelde eens vast dat politici, en mensen in het algemeen, best bereid zijn het klimaat te sparen, maar dat die bereidheid haar grenzen heeft, bijvoorbeeld wanneer het al te veel botst met economische groei. Pielkes “ijzeren wet van klimaatbeleid” is het meest zichtbaar in ontwikkelingslanden.

De geringe bereidheid om klimaatverandering af te remmen, mogen we jammer vinden, maar: is dat nu werkelijk zo’n kwalijk standpunt? Wie leeft in armoede, wordt beperkt in zijn ontwikkeling en kan niet tot volle bloei komen. Energie bevrijdt hem van de ketenen van de natuur. Een politicus die zich dit lot aantrekt en deze ontworsteling mogelijk maakt, luistert naar de stem van menselijke waardigheid.

Vergelijk de opvattingen van Al Gore, twijfelend aan het nut van elektriciteitsnetten, met die van Lyndon B. Johnson. Voordat hij in 1963 namens de Democratische Partij aantrad als president van het Amerikaanse volk – hij wél – blikte Johnson terug op zijn politieke carrière. Hij was het meest trots, zei hij, op zijn bijdrage aan de aanleg van een waterkrachtcentrale in zijn geboortestreek in Texas. “Nieuwe horizonten openden zich voor jonge geesten door niets meer dan de komst van elektriciteit in hun huis”, zei Johnson. “Mannen en vrouwen bevrijdden zich van het gesleur en gezwoeg (…). Dit is de werkelijke vervulling van de verantwoordelijkheid van de overheid.”

Vooruitgang begint bij energie.

Marco Visscher schrijft en spreekt over de energietransitie en het klimaatbeleid. Dit is een hoofdstuk uit het boek Meer: Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt, met verder bijdragen van onder meer Ralf Bodelier, Hidde Boersma, Joost van Kasteren en Mirjam Vossen.

 Beeld Lezen bij kaarslicht in Ghana

 

Boek: Meer: Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt

Hoe lossen we de grote problemen van deze tijd op: de klimaatverandering, de groeiende ongelijkheid en de biodiversiteitscrisis? Moeten we soberder leven, met minder groei, consumptie en reizen, zoals de groene beweging wil? Of ligt de oplossing in minder overheid, minder ontwikkelingsgeld en minder wetenschap, zoals het rechts-populisme voorstaat?

Niet mínder, maar méér is de enige weg, volgens de auteurs van dit uitdagende boek, een vervolg op de bundel Ecomodernisme. Zo pleiten ze voor meer economische groei en welvaart om armoede te bestrijden en duurzame technologie mogelijk te maken, en voor meer overheidsingrijpen om individuele vrijheid te creëren. Een overvloedige, moderne wereld leidt tot meer geluk en autonomie. Als we dan ook nog in onszelf en ons vernuft durven geloven, ligt er een stralende toekomst in het verschiet. Koop ‘m hier bij Bol.com.

Lees hier de inleiding, geschreven door Hidde Boersma:

In de warme zomer van 2019 publiceert de Britse antropoloog en schrijver Jason Hickel een betoog op de Amerikaanse site New Internationalist onder de titel ‘Progress and Its Discontents’ – vrij vertaald: het ongemak van de vooruitgang. Het is een lange aanklacht tegen vooruitgangsdenkers als ‘Enlightenment Now‘-schrijver Steven Pinker, Microsoft-oprichter Bill Gates, en wijlen ‘rockstar’ statisticus Hans Rosling. Dit trio vertelt al een paar jaar in de media het verhaal dat het uitstekend gaat met de wereld. Dat de industriële revolutie, de globalisering, de vrije handel, de ratio en de wetenschap de planeet rijker, gezonder, geletterder en vrediger hebben gemaakt. De wereld is nooit een betere plek geweest dan nu, is de overtuiging van het drietal en zijn aanhangers, onder wie de meeste schrijvers van dit boek.

Niet volgens Hickel. Volgens hem proberen de zogeheten Nieuwe Optimisten met het verhaal een onderdrukkend economisch systeem van roofkapitalisme en kolonialisme in leven te houden. Hickel vindt dat de ontwikkelingen in de 20e eeuw meer ellende dan goeds hebben gebracht. Het leven was voor veel mensen beter in de 19e eeuw, omdat ze toen ‘overvloedige toegang hadden tot land, water, bossen, vee en een robuust systeem van delen en wederkerigheid’, aldus Hickel. Het idee dat de balans van de globalisering, industrialisering en technologisering die de 20e eeuw kenmerkte, uiteindelijk negatief uitpakt, is populair, alleen al getuige zijn ruim 65.000 volgers op Twitter.

Het is precies het tegenovergestelde verhaal als dat van de Nieuwe Optimisten. Zij zien de 20e eeuw als sluitstuk van wat in de 17e eeuw begon met de Age of Reason en de Verlichting. Toen begon de weg naar de moderniteit; naar een wereld die steeds globaler, individueler, meer verstedelijkt en materieel welvarender werd. Ze stellen dat wetenschap en innovatie, hand in hand met sociale ontwikkelingen als de geboorte van mensenrechten, de wereld een almaar betere en comfortabelere plek maakte. We zijn er nog lang niet, maar als we doorzetten op het pad van vooruitgang en modernisering dan leeft over een paar decennia de hele wereld het goede leven.

Hickel wil er niet aan, en met hem een steeds groter deel van de westerse wereld. Heel langzaam kruipt er sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een chagrijn in ons denken. Neem de resultaten van een onderzoek van het internationaal onderzoeksbureau Ipsos/ mori uit begin 2020, nog voor de coronacrisis toesloeg. Daarin vroeg het bureau participanten of ze vonden dat het land waarin ze woonden zich in de juiste richting bewoog; of ze optimistisch waren over de toekomst. Wat bleek? Een schamele 17 procent van de Italianen vond dat. In Frankrijk was 21 procent daarvan overtuigd en zelfs in Zweden, dat op bijna alle internationale lijstjes van welzijn en geluk bovenin staat, verwacht maar 25 procent van de mensen dat de toekomst beter zal zijn dan het heden. Dat is een markant verschil met opkomende landen. In China bijvoorbeeld gelooft maar liefst 90 procent van de burgers in een betere toekomst. Bij inwoners van India en Saoedi-Arabië is dat respectievelijk 78 en 58 procent: daar zitten de fans van de vooruitgang.

Maar is het pessimisme van Europese landen over de modernisering niet begrijpelijk? Volgens de Amerikaans-Servische econoom Branko Milanovic heeft bijna iedereen op de wereld de afgelopen veertig jaar geprofiteerd van de economische groei en de globalisering, behalve de onder- en middenklassen in het rijke Westen. Hun reële inkomen is al dertig jaar nauwelijks gestegen en voor veel kinderen geboren in deze periode is het maar de vraag of ze het beter krijgen dan hun ouders. Velen hebben het gevoel dat ze stilstaan, terwijl de rest van de wereld hen inhaalt. Dat doet het zelfvertrouwen geen goed. Logisch dat mensen twijfelen of ze met de modernisering wel de goede weg zijn ingeslagen.

Dat gevoel wordt ook gevoed door wat economen de wet van de afnemende meeropbrengsten noemen: vooruitgang in welvaart levert het meeste op voor mensen die arm zijn en een onzekere plaats hebben in de maatschappij. Ben je al rijk, verzekerd van inkomen en wonend in een veilige omgeving, dan zal vooruitgang hoogstens iets meer van hetzelfde inhouden, en daardoor minder zichtbaar zijn. Wij in het rijke Westen zijn gewend geraakt aan welvaart en vooruitgang. Bovendien: als je heel veel hebt, heb je meer te verliezen dan te winnen. Dat leidt tot behoudzucht, in plaats van vernieuwing.

Velen hebben het gevoel dat ze stilstaan, terwijl de rest van de wereld hen inhaalt

De afkeer tegen de modernisering in het Westen is niet onschuldig, en wordt cru als deze wordt geëxporteerd naar landen die er nog veel meer bij te winnen hebben. Bijvoorbeeld wanneer rijke westerlingen modernisering van de landbouw ontraden aan Afrikaanse landen, omdat het ‘toch ook nadelen heeft’; is het niet beter dat kleine boeren zonder kunstmest en tractoren werken, en zelfvoorzienend blijven? Of dat men zich gaat afvragen of iedereen op de wereld wel écht een wasmachine nodig heeft, zoals Rosling optekende uit de mond van zijn studenten. En het kan toch niet de bedoeling zijn dat al die Bolivianen en Laotianen uiteindelijk ook auto’s, airco’s en koelkasten kopen en dat ze even makkelijk als wij op het vliegtuig stappen? In deze vorm wordt het westerse pessimisme over de moderniteit ronduit kortzichtig en verwaand.

Het ongemak van de moderniteit is niet het alleenrecht van deze of gene politieke stroming. Het laat zich over de gehele breedte van de maatschappij zien, getuige de twee belangrijkste politieke stromingen van dit moment: het behoudsgezinde populisme aan de rechterkant en het groene denken – de Engelsen hebben er het mooie woord environmentalism voor – aan de linkerkant. Ze zijn minder verschillend dan je zou denken: beide stromingen vinden elkaar in de vaststelling dat modernisering en vooruitgang zijn doorgeschoten, dat het beter is om een stapje terug te doen om een bepaalde harmonie of natuurlijke orde te herstellen die teloor is gegaan. De moderne samenleving is te veel gericht op individuele vrijheid en materiële consumptie, te geglobaliseerd en te decadent. Het leidt tot moreel verval (volgens rechts) en verstoring van onze band met de natuur (volgens links).

Beide ideologieën hunkeren naar de vermeende eenvoud, gemeenschapszin en saamhorigheid van weleer, en romantiseren zo een verleden dat in werkelijkheid niet heeft bestaan. De ene groep wil terug naar de tijd toen mannen nog mannen waren, zoals Forum voor Democratie-voorman Thierry Baudet en de Hongaarse president Viktor Orbán, en toen we trots waren op onze natie. De anderen hebben heimwee naar de tijd toen de mens in harmonie leefde met de natuur, in kleine en hechte gemeenschappen waar mensen naar elkaar omkeken, zoals groene ngo’s als Milieudefensie ons voorspiegelen; daarom voelen ze weinig voor modernisering en industrialisering in ontwikkelingslanden. De uitwerking mag dan deels verschillend zijn, voor beide groepen ligt het antwoord op de uitdagingen van vandaag in ieder geval niet in verdere modernisering.

Zowel rechtse populisten als linkse groene denkers stellen vast dat modernisering en vooruitgang zijn doorgeschoten

Het leidt soms tot bijzondere overeenkomsten tussen progressief en conservatief. Toen in 2019 de oerconservatieve denker Roger Scruton overleed, schreef het dagblad Trouw in een in memoriam dat de rode lijn in Scrutons boeken de angst voor het verlies van het eigene, lokale en traditionele is. Precies dat sentiment resoneert in de strijd van milieuactivisten die inheemse culturen willen behoeden voor de modernisering, of in boeken als In Defense of Food (Een pleidooi voor echt eten) van Michael Pollan en The Hundred Mile Diet van Alisa Smith en J.B. MacKinnon en in populaire ‘groene’ films als The Biggest Little Farm, die het kleinschalige, traditionele leven romantiseren.

Een belangrijke oorzaak van het onbehagen met de moderne maatschappij is het gevoel dat we de controle over het eigen leven kwijt zijn. De kop van Jut hiervoor verschilt aan beide kanten van het politieke spectrum. Volgens de linkerkant zijn vooral grote bedrijven het kwaad: ons voedselsysteem wordt gedomineerd door weinig transparante monopolisten, onze gezondheid door de op winst beluste farmaceutische industrie en ons klimaat wordt om zeep geholpen door een kleine groep van multinationals. Om de controle terug te pakken beginnen mensen hun eigen moestuin of weigeren ze hun kind te laten vaccineren. In haar prijswinnende boek On Immunity beschrijft Eula Biss dat meerdere vriendinnen de verschillende prikken voor hun baby weigeren, als statement tegen de kapitalistische, ondoorzichtige wereld.

Microbioloog en NRC-columnist Rosanne Hertzberger ontwaart bij haar hoogopgeleide, doorgaans linksgeoriënteerde soortgenoten zelfs een trend van ‘ont-ontwikkeling’ als reactie op alle ontwikkeling en comfort. ‘Conserveermiddelen, zoetstoffen, vaccinaties, gentechnologie, de anticonceptiepil zijn voorbeelden van moeizaam tot stand gekomen innovaties die nu van tafel worden geveegd door “de bezorgde burger”,’ schrijft ze. Gemak is verdacht, op pakjes en zakjes om te koken wordt neergekeken. Het leven mag wel wat moeizamer en authentieker en trager, maar uiteraard kan alleen de gegoede klasse zich dit veroorloven en ermee koketteren.

De rechterkant richt zich vooral op de overheid en haar instituten, en tegen de intellectuele ‘elite’ die onze mooie Europese beschaving verloochent en verafschuwt. De Europese Unie moet het ontgelden als megalomaan, geldverslindend en ondemocratisch. Het internationale klimaatpanel IPCC zou een ‘linkse’ klimaatagenda hebben, in Nederland kweken populisten wantrouwen tegen het RIVM en het KNMI, door ze te beschuldigen van het hebben van een politieke kleur. Dat ging zo ver dat de VVD in 2011 het meteorologische instituut zelfs wilde opheffen vanwege ‘partijdigheid’ in het klimaatdebat. De oplossingen lijken duidelijk: grenzen dicht, Nexit, weg met de huidige elites en hun culturele zelfhaat en multiculturalisme, en een terugkeer naar traditionele sekserollen en masculiene autoriteit: alles weer als vanouds onder controle.

De verhoopte resultaten van links en rechts lijken sterker op elkaar dan beide richtingen lief is: een kleinschaligere, overzichtelijke, eenvoudige, minder open en minder geglobaliseerde wereld. Dat rechts zich weinig hard maakt voor vooruitgang en modernisering mag geen verrassing heten, zij zijn immers vooral begaan met het behoud van het bestaande en waarschuwen al eeuwen voor het geloof in maakbaarheid en roekeloos optimisme. Dat ze af en toe opkomen voor progressieve waarden, zoals het homohuwelijk, komt vooral omdat die tegenwoordig deel uitmaken van de zogenaamde typisch Nederlandse cultuur – een nieuwe status-quo -, ook al werden ze destijds hard bevochten op rechtse krachten. (Een groot deel van de VVD, inclusief leider Frits Bolkestein, stemde destijds tegen openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van hetzelfde geslacht.)

Met nieuwe rechten voor minderheden zoals transgenderpersonen of moslims hebben ze al een stuk meer moeite. Bovendien is er het dedain voor een van de belangrijkste motoren achter de vooruitgang – de wetenschap – vanwege de positie van veel wetenschappers in het klimaatdebat en recenter het stikstofdossier, waarbij actievoerders de kennis van het RIVM en van wetenschappers van onder andere Wageningen University in twijfel trekken.

Communisme, socialisme, sociaal-democratie: ze draaiden om het streven naar een wereld vol welvaart

Dat ook links zich afkeert van de vooruitgang en de modernisering, is echter opvallend: in de 20e eeuw was de hele premisse van links de verheffing van de arbeider en andere minderbedeelden. Iedereen moest mee in de vaart der volkeren, iedereen moest mee kunnen profiteren van welvaart en comfort. Van het communisme via het socialisme tot de sociaal-democratie, al deze stromingen draaiden om het streven naar een wereld vol welvaart. ‘Communisme is Sovjetmacht plus de elektrificatie van het hele land,’ placht Vladimir Lenin te zeggen; iedereen zou toegang moeten hebben tot goedkope energie om comfortabel te kunnen leven. In diezelfde lijn meende PvdA-voorman Joop den Uyl in de jaren zestig dat ‘alle mensen recht hebben op een eigen auto voor de deur, óók de arbeiders’. De sociaal-democratie slaagde er in de 20e eeuw in om arbeiders massaal mee te laten profiteren van de stijgende materiële welvaart en was bovendien verantwoordelijk voor het optuigen van een brede welvaartsstaat.

Dat alles veranderde in de jaren zeventig, vooral na de publicatie van Grenzen aan de groei van de Club van Rome in 1972. In dat rapport waarschuwde de club van Europese wetenschappers dat de mensheid de draagkracht van de aarde zou overschrijden als men zou doorgaan op de ingeslagen weg. Links omarmde het rapport en plots had het een ideologie waar welvaart en vooruitgang tegenover het lot van de planeet worden gezet, als waren het twee onverzoenbare machten. Niet toevallig valt deze transitie samen met de overname van links, en dan met name de sociaal-democratie, door de stedelijke midden- en bovenklasse, voor wie welvaartsgroei niet meer het belangrijkste was. De arbeiders en de mensen in ontwikkelingslanden hebben het nakijken.

Het levert voorstellen op die de oude socialisten en sociaal-democraten zich in hun graf zouden doen omdraaien, zoals pleidooien voor ontgroeiing (degrowth). In linkse kringen zijn op dit moment denkers als de eerdergenoemde Jason Hickel, George Monbiot en Giorgos Kallis populair, die stuk voor stuk pleiten voor minder economische welvaart en een soberder leven. Het is wat Michael Shellenberger, een van de grondleggers van het ecomodernisme, in een stuk op de linksgeoriënteerde, Amerikaanse website Alternet The Great Reversal noemt, de grote ommekeer.

Het mag dan ook geen verrassing zijn dat linkse denkers de huidige coronacrisis aangrijpen om de moderne wereld aan te klagen. In een retoriek die doet denken aan de boetepreken van zware dominees stellen ze dat deze crisis een ‘logische correctie is op onze megalomane levensstijl’, aldus amc-psychiater Damiaan Denys. ‘covid-19 is niet het virus, wij zijn het virus’, is een populaire meme op sociale media. Myriam Dumortier van de groene denktank Oikos vindt in het Belgische tijdschrift Knack dat deze crisis laat zien ‘dat we onze verhouding met de natuur moeten herzien’. ‘covid-19,’ zo schrijft ze, is een ‘stuiptrekking van een systeem dat zijn limieten overschreden heeft.’ Zoals hiv volgens sommigen de schuld was van onze immorele levensstijl, zo is het coronavirus dat van het consumentisme. Zelfs de Verenigde Naties gaan erin mee, zoals hoofd milieuzaken Inger Andersen: ‘De natuur stuurt ons een boodschap.’

Ook overvloedige energie is verdacht. Een van de grondleggers van de milieubeweging, Paul Ehrlich, schrijver van het invloedrijke The Population Bomb (De bevolkingsexplosie), vond al in de jaren zeventig dat ‘het geven van overvloedige, goedkope energie aan een samenleving, gelijkstond aan het geven van een machinegeweer aan een kind’. Die opmerking resoneert in moderne, linksgeoriënteerde milieubewegingen zoals Greenpeace, die bij hun berekeningen van toekomstig energiegebruik altijd uitgaan van een drastische reductie: hoe minder energie mensen gebruiken, hoe beter. Maar om welvaart tot stand te brengen, heb je overvloedige en goedkope energie nodig. Dat was bij ons zo de afgelopen twee eeuwen, en dat zal ook zo zijn in ontwikkelingslanden. De wereld heeft méér energie nodig, niet minder.

Het wordt tijd dat we als mens opnieuw durven te geloven in onszelf, in onze kracht om de wereld beter te maken

De visie van links op wetenschap veranderde ook. Daar waar wetenschap en technologie voorheen manieren waren om het leven te verlichten en de levenskwaliteit te verbeteren, wekt de wetenschap vandaag achterdocht op. Invloedrijke postmoderne denkers zoals Michel Foucault en Bruno Latour ondergroeven het geloof in wetenschappelijke kennis door die te kenschetsen als een subjectief product van haar tijd en door wetenschappers te ontmaskeren als autoritaire machtstrevers. Ze waarschuwen voor de gevaren van technologische vooruitgang en overmoed.

Ook op dat punt vonden links en rechts elkaar. Het voorzorgsprincipe, een van oorsprong conservatief instrument, werd onder druk van groene partijen stevig verankerd in het gedachtegoed van de Europese Unie: als we niet kunnen bewijzen dat iets veilig is, laten we het niet gebruiken, ongeacht de voordelen. En aangezien het bijzonder moeilijk is om met absolute zekerheid te bewijzen dat een nieuwe technologie geen enkel schadelijk neveneffect heeft, zet het voorzorgsbeginsel een enorme rem op technologische vooruitgang. Zelfs Wouter van Dieren, een van de oprichters van de Club van Rome, stoort zich aan de ‘behoudzucht van de wauwelende milieuorganisaties’, vertelde hij begin 2020 in een interview in Trouw.

Geen wonder dat het kamp van de vooruitgangsdenkers stilaan leegloopt. Wie staat vandaag nog voor moderniteit, voor meer welvaart, energie en gemak voor iedereen? In deze bundel komen elf denkers van verschillende politieke snit aan het woord, die het vooruitgangsdenken weer willen aanwakkeren. Het is een pleidooi voor overvloed, voor verbetering, voor overdaad en voor modernisering. Dat is broodnodig, want rijke westerlingen mogen dan wel genieten van de zegeningen van vooruitgang, maar dat geldt lang niet voor iedereen. Nog steeds leven er ruim 800 miljoen mensen in extreme armoede, nog steeds moeten 940 miljoen mensen het stellen zonder elektriciteit. Nog steeds zijn er te veel mensen die de vrijheid en het geluk van de moderne wereld ontberen.

Er is juist meer welvaart en innovatie nodig om duurzame technologieën te ontwikkelen en de wereld mooier te maken. Het wordt tijd dat we als mens opnieuw durven te geloven in onszelf, in onze kracht om de wereld beter te maken. Opdat iedereen een verheven, comfortabel, veilig en gelukkig leven kan leiden op een bloeiende groene planeet. Dat zijn wij aan onszelf verplicht, en aan iedereen die het veel minder getroffen heeft dan wij.


Zie voor een recensie van het boek:

Moeder Natuur stuurt geen boodschappen

Joost van Kasteren bespreekt Natural van Alan Levinovitz en Tegen de natuur in van Lorraine Daston.

Alweer anderhalve eeuw of zo profiteren we van moderne wetenschappelijke inzichten en nieuwe technologieën, waarmee we ons leven veraangenamen. De laatste maanden bleek echter dat een simpel virus volstaat om het geloof in de mythes van onze verre voorouders weer tot leven te wekken. ‘De natuur stuurt ons een boodschap’, zei Inger Andersen, hoofd van UNEP, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties. De Vlaamse filosoof en psychiater Damiaan Denys hield het erop dat het coronavirus een gezonde correctie is op onze megalomane levensstijl. Een corrigerende tik van Moeder Natuur die ons ‘dagelijks laat weten dat ze het zat is’ aldus Eurocommissaris Frans Timmermans.

Het coronavirus als een e-mail of appje van Moeder Natuur: het is een mooi voorbeeld van een naturalistic fallacy. Een naturalistische dwaling neemt de natuur als moreel ijkpunt, als maatstaf voor goed en kwaad. De naturalistische dwaling doet zich niet alleen voor in tijden van crisis, ook in het gewone leven worden we voortdurend geconfronteerd met termen als ‘natuurlijk’ die moeten suggereren dat een bepaald product of een bepaalde productiemethode goedgekeurd is door Moeder Natuur. Daarbij implicerend dat producten of methoden die niet ‘natuurlijk’ zijn, niet deugen. Niet per se omdat ze onveilig zijn, of kwalitatief het onderspit delven, maar omdat ze ‘niet natuurlijk’ zijn.

De afgelopen maanden verschenen er twee boeken – ruim voor de pandemie geschreven overigens – waarin het begrip ‘natuurlijkheid’ kritisch onder de loep wordt genomen. Het ene, meer een essay, is geschreven door wetenschapshistoricus Lorraine Daston met als titel Against nature en is inmiddels ook vertaald in het Nederlands onder de titel Tegen de natuur in. Het andere boek, Natural, van de theoloog Alan Levinovitz is pas kortgeleden verschenen en wacht nog op vertaling.

Eeuwenlang al wijzen filosofen erop dat de natuur geen ‘waarden’ kent, geen moreel besef heeft. ‘Nature simply is’. Natuur is er gewoon in al zijn schoonheid, maar ook in al zijn bloederigheid. Het zijn de mensen die het ‘is’ van de natuur zonodig willen vertalen het  ‘ought’ van normen die ons vertellen hoe we ons moeten gedragen. Los daarvan kun je je afvragen welke natuurlijke orde maatgevend is. De orde die ervan uitgaat dat de natuurlijke bestemming van de vrouw is om echtgenoot en moeder te zijn, terwijl de man de rol van de provider en beschermer op zich neemt en voor het inkomen zorgt? Of de natuurlijke orde die laat zien dat iedereen gelijkwaardig onafhankelijk van sekse of gender?

In haar essay stelt Daston de vraag waarom we in het maatschappelijke en politieke debat toch steeds weer in die naturalistische valkuil vallen. Volgens haar heeft het te maken met de vaak ingewikkelde keuzes die we moeten maken. Niet alleen praktisch,  ‘Oh, het is biologisch, dus het zal wel goed zijn’, maar ook diepere vragen over hoe je in het leven staat. Als het daarover gaat, hebben we behoefte aan een maatstaf voor goed en kwaad die buiten de menselijke orde staat. Dat kan een goddelijke openbaring zijn waarin ons wordt medegedeeld hoe we ons moeten gedragen, maar ook het Boek der Natuur kan worden gelezen als een verzameling voorschriften hoe te leven.

 

Uiteindelijk zal het besef doordringen dat de natuurlijke orde geen maatstaf is om iets te beoordelen.

 

Een bijkomend voordeel is dat de natuur niet alleen zichtbaar voor iedereen, maar ook dat de variatie aan fenomenen zo groot is, dat iedereen altijd wel iets van zijn gading kan vinden om zijn eigen denkbeelden en gedrag te rechtvaardigen. Een autoritaire leider kan zich beroepen op de silverback, het alfamannetje in een groep gorilla’s, terwijl een meer democratisch ingestelde manager naar de bonobo’s kan verwijzen die zoveel mogelijk geweldloos hun conflicten oplossen.

Juist dat laatste maakt een beroep op de natuurlijke orde als scherprechter in morele kwesties tandeloos, denkt Daston. Voor elk oordeel of gedrag is wel een rechtvaardiging te vinden, zelfs voor marteling en kindermoord. Uiteindelijk denkt ze, zal het besef doordringen dat de natuurlijke orde geen maatstaf om iets te beoordelen. We moeten zelf uitvinden hoe het hoort, het ‘ought’, want Moeder Natuur heeft geen boodschap aan ons.

Het klinkt heel logisch, maar in de praktijk van alledag is het nog niet zover en je kunt je zelfs afvragen of we ooit nog van die naturalistische dwaling af komen. In Natural laat Alan Levinovitz zien hoezeer natuurlijkheid nog een argument is bij beslissingen op allerlei gebied: van de natuurlijke geboorte en de populariteit van natuurgeneeswijzen tot het gebruik ervan in pleidooien voor bepaalde landbouwmethoden en voeding.

Hilarisch is zijn  verhaal over de zoektocht van de Amerikaanse Food and Drug Administration naar een definitie van het begrip ‘natuurlijk’ als het gaat voedingsmiddelen. Die definitie leek nodig,  omdat er veel rechtszaken werden gevoerd tegen bedrijven die producten als ‘natuurlijk’ verkochten. Volgens de klagers was er weinig natuurlijks aan, bijvoorbeeld omdat ze teveel fructosestroop bevatten of omdat de chocolade behandeld was met kaliumcarbonaat om de bittere smaak te verwijderen. De zoektocht van de FDA duurde ruim tien jaar en heeft geen definitie opgeleverd waar de rechter wat mee kan.

Bedrijven blijven de term gebruiken, omdat consumenten in hun hoofd te verbinding leggen dat natuurlijk gelijk is aan gezond – een claim die ze zelf niet mogen maken. Hoezeer het begrip wordt opgerekt, illustreert Levinovitz aan de hand van vanille in de ijsjes van McDonald’s. In 2017 kondigde het bedrijf aan dat die smaakstof voortaan ‘natuurlijk’ zou zijn. Voor Levinovitz aanleiding om de ‘natuurlijke’ vanille eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat brengt hem onder meer bij Flip van Noort die in Wageningen onder glas vanille-orchideeën kweekt.

Volgens Van Noort is er weinig natuurlijks aan vanille uit de kas, maar dat geldt evenzeer voor de vanille die in het open veld wordt geteeld. Het overgrote deel van de wereldproductie echter komt uit Madagascar en Indonesië, terwijl de orchidee zelf ooit is gedomesticeerd door de Maya’s in Midden-Amerika. De bessen zelf zijn niet eetbaar, maar moeten een reeks bewerkingen ondergaan om uiteindelijk een zwart, glimmend vanillestokje te worden. Bij de productie ervan wordt bovendien gebruikgemaakt van kinderarbeid. Gelukkig voor McDonald’s hoeft het daarvoor geen verantwoording af te leggen. Hun ‘natuurlijke vanille’ wordt gemaakt door bacteriën in een fermentatievat.

 

‘Natuurlijk’ is een conservatief begrip, ook al wordt het veel in progressieve kring gebezigd.

 

 

Levinovitz laat niet na om te wijzen op de onhoudbaarheid van het begrip ‘natuurlijk’, niet alleen in morele zin, maar ook praktisch. Hij vindt het gebruik ervan zelfs contraproductief, omdat het de technologische vernieuwing in landbouw en voedingsmiddelindustrie blokkeert. Het is een conservatief begrip, ook al wordt het veel in progressieve kring gebezigd. Toch, stelt Levinovitz, moeten we de mensen die natuurlijk als goed ervaren niet als zodanig wegzetten, omdat je daarmee de polarisatie tussen de naturisten en de modernisten nog verder opvoert.

Daarmee sluit Levinovitz zich aan bij Charles Mann die in zijn boek De tovenaar en de profeet ook geen keuze wil maken tussen beide kampen. Terecht, meent Levinovitz, want polarisatie leidt tot een ideologische monocultuur, terwijl we juist moeten streven naar een ideologische polycultuur, waarin iedereen wordt uitgedaagd om zijn vooronderstellingen expliciet en bespreekbaar te maken. Alleen dan ontstaat er ruimte voor verandering.

 

Lorraine Daston, Tegen de natuur in (Octavo publicaties, 2020)

Alan Levinovitz: Natural: The Seductive Myth of Nature’s Goodness (Profile Books, 2020)

 

Joost van Kasteren is hoofdredacteur van Vork (waar deze recensie eerder verscheen) en co-auteur van Ecomodernisme.

Lever boeren niet langer uit aan de lage prijzen op de wereldmarkt

Het is hoog tijd dat de overheid de regie terugpakt op de voedselmarkt, vinden Joris Lohman en Hidde Boersma. Met zo’n New Farm Deal wordt echte verduurzaming van de landbouw eindelijk mogelijk.

Het debat over de toekomst van de landbouw liep deze week flink uit de hand. Het begon met de arrestatie van een 17-jarige jongen die met een trekker inreed op een beambte van de marechaussee. Op woensdag werden tientallen boeren opgesloten in een cel in Assen en ging een werkbezoek van minister Carola Schouten aan Zeeland niet door omdat haar veiligheid niet gegarandeerd kon worden wegens verwachte trekkerdemonstraties. Met ‘wilde acties’ tonen boeren door het hele land hun frustratie over wat zij zien als een voortdurende aanval op hun levensstijl en toekomstperspectief door politici en beleidsmakers met weinig kennis van landbouw.

Twee jaar geleden schreven wij in de Volkskrant een artikel over de diepliggender oorzaak van de polarisatie in het landbouwdebat. We kwamen tot de conclusie dat het in essentie een ideologische strijd is tussen twee stromingen met een wezenlijk andere kijk op de wereld. Aan de ene kant staan de zogenoemde technologen, die geloven in intensieve, hoogproductieve landbouw om ruimte te sparen voor de natuur. Aan de andere kant staan ecologen die meer zien in natuurinclusieve en biologische landbouw, waarin natuur en landbouw samenkomen. In de basis willen beide partijen hetzelfde: een gezond en duurzaam landbouwsysteem. Maar door ideologische tegenstellingen vechten de partijen elkaar de tent uit en blijft verbetering van ons voedselsysteem uit.

De reacties op het stuk waren zo overweldigend en positief dat wij de afgelopen tijd een poging hebben gedaan de stromingen bij elkaar te krijgen door een nieuw, overkoepelend verhaal te vormen. Zover zijn we nog niet, maar we zijn wel tot de conclusie gekomen dat een van de belangrijkste remmen op verduurzaming, ongeacht in welke richting, het inkomen van de boer is. De marges waarmee boeren in grote sectoren als de akkerbouw en de zuivel moeten werken zijn simpelweg te klein om te experimenteren en te verduurzamen.

Kort gezegd: duurzaamheidsdenkers beginnen aan de verkeerde kant. Een boer kan niet groen doen als hij rood staat.

 

Technologen en ecologen willen hetzelfde: een gezond en duurzaam landbouwsysteem.

 

De magere marges op veel landbouwproducten zijn een bekend probleem. Vaak wordt beschuldigend gewezen naar supermarkten die boeren zouden uitknijpen of consumenten die de hand op de knip houden. Dit leidt de aandacht af van een achterliggend probleem: de doorgeschoten liberalisering van de voedselmarkt. Voor veel producten zijn de prijzen op de wereldmarkt te laag en te veel onderhevig aan schommelingen om boeren een goed, stabiel inkomen te garanderen.

‘Het toont het failliet van onze landbouwmarkten aan’, zegt bestuurskundige Jeroen Candel van de Wageningen Universiteit. ‘Liberalisering – het versterken van het primaat van de markt – is een doel op zichzelf geworden. Terwijl markten geen doel zouden moeten zijn, maar een middel. Als we merken dat de markt niet langer tot de collectieve uitkomsten leidt die we belangrijk vinden – een gezonde leefomgeving, een attractief en leefbaar platteland, een goede boterham voor de boer – dan moet de overheid de markt bijsturen.’

Om de problematiek van de lage inkomens van boeren beter te snappen, moeten we ver terug, tot het midden van de 19de eeuw. De industriële revolutie veranderde toen alles voor de boer. Voor die tijd was voedsel schaars, en de prijs ervan dientengevolge (relatief) hoog. Een overvloedige oogst, met veel aanbod en dus een lage prijs, kwam zelden voor: voedselschaarste was de norm. De introductie van kunstmest veranderde alles: de opbrengsten schoten omhoog. Langzaam werden overvloed en overproductie de norm, met als resultaat: lage prijzen.

Lage voedselprijzen zijn goed nieuws voor de consument, die een almaar kleiner aandeel van zijn inkomen kwijt was aan voedsel. Maar de boer schoot erbij in. Hij profiteerde verrassend genoeg dus niet van de technologische vooruitgang, waarvan hij zelf zo gretig gebruikmaakte. Het platteland ging niet mee in de vaart der volkeren van de industriële revolutie en bleef economisch achter op de stedelijke gebieden.

 

Lage voedselprijzen zijn goed nieuws voor de consument, maar de boer schiet erbij in.

 

In Europa trok Sicco Mansholt, de eerste landbouwminister na de Tweede Wereldoorlog, zich als sociaal-democraat het lot van de boeren aan. Zijn beleid van gegarandeerde minimumprijzen, ruilverkaveling, modernisering en het opwerpen van een tariefmuur rond Europa was lang succesvol. In de jaren zeventig van de vorige eeuw ontstonden de eerste scheuren in het bastion: de almaar oplopende opbrengsten leidden tot enorme overschotten, de beruchte boter- en melkpoederbergen. Vanaf de jaren tachtig besloten overheden, in lijn met de ideologische wind die toen waaide, tot het afbouwen van prijsondersteuning en steeds verdergaande liberalisatie – de markt zou alles oplossen.

Omdat de prijzen op de wereldmarkt laag zijn, is de enige manier voor de boer om meer te verdienen, meer te produceren dan de buurman. Dat doet hij door uit te breiden of te intensiveren. Maar als alle boeren meer gaan produceren, creëren ze gezamenlijk een overschot, met weer lagere prijzen als gevolg. Zo komt de boer terecht in een eindeloze tredmolen – slecht voor hemzelf en slecht voor het milieu en het landschap.

In de nasleep van de stikstof- en coronacrisis is het tijd om de discussie over overheidsingrijpen op de voedselmarkt weer aan te wakkeren. Een gevoelig onderwerp voor boeren: zij zijn het liefst ondernemers die hun inkomen uit de markt halen. Toch zijn we met dit pleidooi niet per se origineel. In 1997 publiceerde het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontact (NAJK), samen met de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV) en de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), in Trouw ook een oproep tot vaste afzetprijzen en productiebeheersing. Ze werden destijds weggehoond, want dat was toch niet meer van deze tijd? Ze werden verpletterd in de neoliberale storm.

Van achter kijk je een koe in de kont, zeiden we vroeger – achteraf is het makkelijk praten. In veel sectoren – de zorg, de jeugdzorg, het onderwijs – is de afgelopen jaren duidelijk geworden welk spoor van vernieling de privatiseringen en decentraliseringen van het neoliberale tijdperk hebben getrokken, en nu blijkt ook de landbouwsector er slechter van te zijn geworden, met nare gevolgen voor boer, landschap en milieu.

 

Privatiseringen en decentraliseringen trokken een spoor van vernieling, ook in de landbouwsector.

 

Daarom is het tijd voor een fundamenteel nieuw plan. Een Europees plan waarin de overheid de regie krachtig terugpakt van de markt, door middel van oude instrumenten in een moderne uitvoering. Wij bouwen voort op een plan van ex-presidentskandidaat Elisabeth Warren uit de VS. Zij opteert voor een combinatie van minimumprijzen en grenzen aan de productie door middel van quota. In plaats van hectaresubsidies ontvangen boeren aan het begin van het seizoen een lening van de overheid, met als onderpand de verwachte oogst van dat jaar. Lukt het niet om met die oogst de verwachte opbrengst uit de markt te halen, dan wordt het restant gekocht door de overheid en opgeslagen als reserve, in de vorm van houdbare producten als poedermelk en bevroren vlees. Stijgen de prijzen, dan worden die overschotten op de markt gebracht om de prijs te drukken.

Ook komen er afspraken over het braak leggen van grond in de akkerbouw en quota in veehouderij, om de productie te dempen en controleren. De braak gelegde grond kan eventueel worden gebruikt voor de teelt van niet-voedselproducten, zoals hout voor de bouw of planten voor plasticproductie. Daarnaast kunnen boeren braakliggend terrein tijdelijk en tegen betaling overdragen aan natuurorganisaties, ter bevordering van de biodiversiteit en het landschap, of zelf (betaald) aan de slag gaan met natuurbeheer.

Het stabiliseren van prijzen op de markt, met als doel het verhogen van de marges en het inkomen van de boer, geeft de overheid de kans steviger in te grijpen in de productiestandaarden. De duurzaamheidsinspanningen die boeren op dit moment plegen, werken vrijwel altijd kostprijsverhogend, terwijl de prijs voor producten niet stijgt. Bovendien is er geen sprake van een ‘gelijk speelveld’, omdat boeren uit andere landen niet aan deze milieuregels hoeven te voldoen. Een vorm van oneerlijke concurrentie op de wereldmarkt.

Het garanderen van een hoger inkomen biedt ruimte voor een heffing op nadelige milieu- en klimaateffecten waarvoor nu niet wordt betaald, zoals CO2. Opbrengsten van de heffing kunnen terugvloeien naar de agrarische sector om te investeren in verduurzaming van de bedrijfsvoering. Iets dergelijks stelde onder anderen econoom Barbara Baarsma van de Taskforce Verdienvermogen Kringlooplandbouw in 2019 al voor.

 

Het garanderen van een hoger inkomen biedt ruimte voor een heffing op nadelige milieu- en klimaateffecten.

 

Mocht de opslagcapaciteit door een aaneenschakeling van goede jaren overbezet raken, dan is het cruciaal dat Europa dit probleem zelf oplost. Dumping in ontwikkelingslanden, zoals voorheen de norm was, is uit den boze, omdat het de lokale landbouwontwikkeling daar frustreert. De oplossing moet dan gevonden worden in bijvoorbeeld het kostenloos uitgeven van schoolmaaltijden, voedsel aanbieden aan de Voedselbank of desnoods in verwerking tot veevoer of in vergisting voor energie.

Gegarandeerde minimumprijzen kunnen soms hoger liggen dan de prijzen op de wereldmarkt, en dat kan doorwerken in de supermarkt. Het effect is echter beperkt. De grootste winst in de voedselketen wordt gemaakt bij de verwerkende industrie en niet bij de boer, waardoor prijsverhogingen aan de kant van de boer verder in de keten worden gedempt. Een liter melk zal bijvoorbeeld een paar cent duurder worden.

De introductie van minimumprijzen zal ongetwijfeld strijd opleveren met de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Die pleit al decennia voor liberalisering en ziet minimumprijzen als concurrentievervalsing. De WTO zal helemaal steigeren als Europa ook nog eens eisen gaat stellen aan zijn grenzen, om de import van goedkopere, minder duurzame landbouwproducten te weren. Toch moeten we het momentum voor verandering niet onderschatten. De Verenigde Staten, Rusland en China lappen continu WTO-regels aan hun laars, bijvoorbeeld door im- en export van voedsel tijdens de coronacrisis te beheersen.

 

Een ‘New Farm Deal’ betekent een modern systeem van minimumprijzen, quotering en beprijzing van externe effecten.

 

Voor Nederland zal het plan een ongekende ideologische ommezwaai betekenen. Waar Frankrijk en Duitsland zich geregeld hebben verzet tegen de liberalisering van het platteland, was Nederland een van de grootste pleitbezorgers ervan. Wij hebben immers de beste boeren, klonk het toen en klinkt het nog steeds, die het prima zouden rooien op de wereldmarkt. Het geloof daarin is onverminderd groot. Toen wij op Twitter een klein voorzetje gaven voor dit artikel, leverde dat felle reacties op, van ‘moeten er nog meer regels komen voor boeren?,’ tot ‘het zal alle innovatie tegenhouden’.

Hoezeer wij ook begrip hebben voor het sentiment van boeren die slachtoffer zijn van jarenlang zwabberend overheidsbeleid, beide opmerkingen zijn volgens ons misvattingen. De combinatie van minimumprijzen en quota geven juist stabiliteit en financiële zekerheid, die ruimte geven om makkelijker aan de stijgende verwachtingen van de samenleving te voldoen. En omdat het verlagen van de kosten op de boerderij ook in dit systeem leidt tot hogere marges, loont innoveren nog steeds. Het zijn expliciet geen basisprijzen die volledig onafhankelijk zijn van de markt. Dat zou ondernemingszin wel fnuiken: als een boer een goede oogst heeft in bijvoorbeeld een droog jaar, moet die hiervoor wel worden beloond.

Het is tijd dat de Nederlandse overheid over haar eigen schaduw heen stapt. De stikstofcrisis is niet op te lossen met het recept uit het verleden: meer marktwerking. De blik moet worden afgewend van het gepieker in de polder en (opnieuw) gericht op Brussel. Dit plan realiseer je niet in Nederland alleen. Maar de kiem kan wel worden gelegd in de Nederlandse politiek. Een ‘New Farm Deal’, oftewel een modern systeem van minimumprijzen, quotering en beprijzing van externe effecten, verdient een centrale plek in het politieke debat over de toekomst van de landbouw.

Natuurlijk is dit plan niet ‘af’, en is de wereld meer vervlochten en complexer dan in de tijd van Mansholt. Maar het kan perspectief bieden aan het volledige politieke spectrum: van partijen als het CDA en de VVD, die zich vooral druk maken over de positie en het inkomen van de boer, tot partijen als D66 en GroenLinks, die de natuur en het milieu als belangrijkste ijkpunt nemen in hun beleidskeuzes.

In plaats van over elkaar heen te buitelen in discussies over vergroening aan de achterkant, moet het probleem worden aangepakt aan de voorkant: het inkomen van de boer.

 

Dit artikel verscheen in de Volkskrant, 11 juli 2020. Hidde Boersma is moleculair bioloog, publicist en co-auteur van Ecomodernisme. Joris Lohman is politicoloog en oprichter van adviesbureau Food Hub.

Beeld Hollandse Hoogte | Jaco Klamer