James Lovelock: “Feiten vervangen door geloof lost milieucatastrofe niet op”

In kringen van milieubeschermers is James Lovelock een vooraanstaande figuur. Zijn beroemdste uitvinding was een instrument dat de schade van cfk’s in de atmosfeer registreerde en aldus een milieuramp afwendde. Zijn bekendste theorie handelt over Gaia – de aarde als levend organisme – en leidde tot een nieuw ecologisch bewustzijn. Zijn werk is bekroond met vele onderscheidingen.

En nu, op 100(!)-jarige leeftijd, laat de Britse legende opnieuw van zich horen met een nieuw boek: Welkom in het Novaceen, over de rol van kunstmatige intelligentie. Hieronder plaatsten we, met toestemming van uitgeverij Atlas Contact, een boekfragment waarin Lovelock ingaat op het ecomodernisme.

 

Er is op dit moment een stevig debat aan de gang over het Antropoceen: is het iets goeds of iets slechts? Er is sterk bewijs dat het slecht is: opwarming en dus verzwakking van de planeet, meer dodelijke en vernietigende oorlogvoering, uitsterving van soorten, enzovoort. Veel hiervan kan worden toegeschreven aan de verbazingwekkend snelle groei van de wereldbevolking. Toen Thomas Newcomen zijn stoommachine maakte in de vroege achttiende eeuw lag de wereldbevolking rond de 700 miljoen; nu is dat 7,7 miljard, meer dan tien keer zoveel, en naar verwachting zal zij in 2050 de tien miljard naderen.

Maar, zou je zeggen, meer mensen en meer menselijke ontwikkeling zijn juist goed – en misschien is dat ook zo.

De milieudeskundige Mark Lynas heeft betoogd dat jager-verzamelaars 10 vierkante kilometer grond nodig hadden per mens; nu bevinden zich op iedere vierkante kilometer van Engeland vierhonderd mensen. Als de bevolking van Engeland terug zou moeten gaan naar jagen en verzamelen, dan zou ze een grondgebied met een grootte van twintig keer dat van Noord-Amerika nodig hebben.

Lynas’ punt is niet per se negatief. Hij gelooft dat het Antropoceen op een geweldig tijdvak zou kunnen uitdraaien. ‘Als geleerden, wetenschappers, activisten en burgers,’ staat er in het Ecomodernistisch Manifest waaraan hij met anderen schreef, ‘schrijven wij in de overtuiging dat kennis en technologie, verstandig toegepast, kunnen zorgen voor een goed of zelfs groots Antropoceen. Een goed Antropoceen vereist dat mensen hun groeiende sociale, economische en technologische vaardigheden gebruiken om het leven voor mensen te verbeteren, het klimaat te stabiliseren en de natuur te beschermen.’

 

De jager-verzamelaar had 10 km2 grond nodig per persoon; nu bevinden zich op iedere vierkante kilometer van Engeland 400 mensen.

 

Dat is waanzin, zeggen de aanhangers van een ‘slecht Antropoceen’. Zij zien ecomodernisme als humanistisch bijgeloof. Volgens hen is het net als de godsdiensten van het verleden een manier om de mensen te pacificeren en hen ervan te weerhouden actie te voeren om de planeet tegen de roofzucht van het kapitalisme te beschermen.

‘De slachtoffers die geneigd zijn om tegen het systeem te protesteren,’ schrijft Clive Hamilton, een Australische professor in de Publieke Ethiek, in ‘The Theodicy of the ‘‘Good Anthropocene’’’, ‘worden door de gouden belofte van een nieuw tijdperk in een zwijgende overgave gesust. De boodschap van het goede Antropoceen aan hen die nu en in de toekomst door mensen veroorzaakte droogte, overstromingen en hittegolven moeten verduren, is: jullie lijden voor een hoger goed; we zullen jullie helpen het te verzachten als dat mogelijk is, maar jullie pijn is terecht.’

In deze interpretatie verandert ecomodernisme in een pleidooi dat het bestaan van het kwaad in een door een goede god gemaakte wereld uitlegt. In dit geval staat de god voor vooruitgang en de kwaden zijn de armoede en het lijden die voortbestaan in de wereld totdat er voldoende vooruitgang is geboekt. Net als gelovigen pleiten voor meer god in onze levens, zo pleiten de ecomodernisten voor meer vooruitgang.

Dergelijke redenaties zijn op zich interessant, maar Hamiltons retoriek maakt duidelijk hoezeer zij van politiek doordrenkt zijn. Voor Hamilton en vele anderen doen de ecomodernisten het vuile werk van het mondiale kapitalisme; voor Lynas en andere protagonisten van een goed Antropoceen zijn hun tegenstanders als de vroegnegentiende-eeuwse luddieten die machines vernielden om te voorkomen dat die hun banen inpikten.

Dit is een simpele weergave van een ingewikkelde discussie die veel nuances kent – de anti’s verwerpen niet iedere vooruitgang en de pro’s geven toe dat er gevaren zijn op de weg naar het goede Antropoceen –, maar het geeft een globale schets van de discussie. Het is een debat waarin ik mijzelf veel dichter bij de ecomodernisten dan bij de anti’s zie.


Het verlangen naar de betere tijden van voor het Antropoceen is een fantasie.

 

Het eerste probleem met de anti’s is hun afhankelijkheid van een standpunt met een religieuze ondertoon. Hun verlangen naar de betere tijden van voor het Antropoceen is een fantasie, ten eerste omdat geen gouden tijd ooit vrij is geweest van leed en gebrek en ten tweede omdat je om terug te gaan naar die tijd je alle duidelijke voordelen van het moderne leven zou moeten terugdraaien.

Dit alles is ingepakt in politiek, en op dezelfde manier als delen van het christendom zijn vervormd tot socialisme, neigt de huidige linkervleugel van de politiek ernaar zich om te vormen tot een groene godsdienst. De vervanging van feiten door geloof zal de dreiging van een milieucatastrofe niet oplossen.

Maar wat zijn de feiten? In eerste instantie moeten we het Antropoceen zien als een periode waarin mensen de macht hebben om op mondiaal niveau significante beslissingen te nemen; het gebruik van cfk’s was daar één van, evenals de oplegging van een verbod op hun gebruik. Deze beslissingen kunnen verkeerd zijn en onvoorziene uitkomsten hebben, maar het gaat erom dat we de macht hebben om ze te nemen.

Ten tweede moeten we afstappen van de politiek en psychologisch beladen idee dat het Antropoceen een grote misdaad tegen de natuur is. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk, maar noch Newcomens stoommachine noch een kerncentrale ziet eruit of gedraagt zich als een zebra of een eikenboom; ze zijn in alle opzichten totaal verschillend.

Desondanks is het waar dat ondanks de associatie met mechanische dingen het Antropoceen een gevolg is van het leven op aarde. Het is een product van de evolutie; het is een expressie van de natuur. Evolutie door natuurlijke selectie wordt meestal weergegeven in de stelling: ‘Het organisme dat de meeste nakomelingen produceert, wordt geselecteerd.’ De stoommachine was absoluut vruchtbaar, en haar opvolgers, die zich in rap tempo ontwikkelden door de verbeteringen van uitvinders zoals James Watt, waren dat evenzeer. Dit proces ontwikkelde zich tot de industriële revolutie en heeft ons een eeuw van technische en wetenschappelijke roem gegeven.

Uiteraard heeft het Antropoceen met zijn technologische vooruitgang tevens tot wrede concurrentie geleid voor degenen wier enige manier van levensonderhoud bestond uit het verkopen van lichamelijke arbeid. En het is ook zeker waar dat onze huidige beschaving ecologisch schadelijke keuzes heeft gemaakt. Maar ik geloof dat de aarde zich als een levend fysiologisch systeem gedraagt, en in dat soort systemen gaan veranderingen ten goede vaak hand in hand met nadelen.

We hebben de afgelopen driehonderd jaar enorme veranderingen aan het milieu op aarde aangebracht. Sommige daarvan – zoals de achteloze vernietiging van natuurlijke ecosystemen – zijn absoluut slecht. Maar hoe zit het met de enorme verlenging van de levensverwachting, de vermindering van armoede, de verspreiding van onderwijs voor iedereen en de vergemakkelijking van onze levens, niet in het minst door de wijdverbreide beschikbaarheid van elektriciteit?

 

De aarde gedraagt zich als een levend fysiologisch systeem, waarin veranderingen ten goede vaak hand in hand gaan met nadelen.

 

Tegenwoordig vinden de meesten onder ons informatietechnologie, vliegreizen en de geschenken van de medische wetenschap heel vanzelfsprekend. Maar laten we eens honderd jaar terugdenken, naar de tijd waarin ik werd geboren, net na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Toen waren er (behalve voor de rijken) geen elektrisch licht, geen auto’s of telefoons, geen radio of tv en geen antibiotica. Er waren grammofoonplaten van schellak die afspeelbaar waren op een opwindbare grammofoon met trompetten als luidsprekers, maar dat was alles. Het is leuk en aardig om te hunkeren naar een landelijk leven tussen bomen en weilanden, maar dat zou geen verwerping moeten inhouden van de ziekenhuizen, scholen en wasmachines die het leven zoveel beter hebben gemaakt.

De fouten die de milieubeweging maakt, komen voort uit haar politiek gemotiveerde versimpelingen, die alle goede dingen die het Antropoceen ons gebracht heeft lijken te verwerpen. We moeten onthouden dat het bij Gaia allemaal om randvoorwaarden en gevolgen gaat. Dit was vooral zo in de geschiedenis van de cfk’s. De milieubeweging zei dat die afgeschaft moesten worden vóórdat er een vervanger beschikbaar was. Dat zou betekend hebben dat er geen ijskasten meer zouden zijn.

De huidige campagne tegen plastics kent een vergelijkbare alles-of-nietsbenadering. Voor het overgrote gedeelte gaat het hier om vaste, lichtgewicht, transparante en elektrisch isolerende materialen. De meeste zijn gemaakt van koolstofverbindingen die het bijproduct zijn van de petroleumindustrie. Zonder deze materialen of materialen met soortgelijke eigenschappen zou de moderne samenleving moeilijker en veel duurder zijn. Plastics vormen de basis voor dingen als optische lenzen voor brillen, ramen en uiteraard alles wat transparant moet zijn of elektrische isolatie moet hebben. Ze hebben ook fascinerend mechanische kenmerken die niet gedeeld worden met metalen of keramiek, zoals een grote elasticiteit.

 

De fouten die de milieubeweging maakt, komen voort uit haar politiek gemotiveerde versimpelingen.

 

De ware milieubezwaren zijn niet tegen de plastics zelf, maar tegen ons falen om hun gebruik als eenmalig verpakkingsmateriaal te reguleren. Dat moet dus worden beperkt, maar tegelijkertijd zou het niet moeilijk moeten zijn om hun automatische afbraak in water en koolstofdioxide te bewerkstelligen – we moeten onderzoek doen naar het verkrijgen van dergelijke technologieën. Maar met hun bezwaren tegen plastics lijkt de milieubeweging niet geïnteresseerd in pogingen om hun schadelijke eigenschappen te modificeren of te elimineren.

Een groter bezwaar, dat wij allen delen, is ons falen om een alternatieve methode van verpakken te vinden die op grote schaal verspreid kan worden. Het is in ieder geval de moeite van het vermelden waard dat plastics die verbrand worden als brandstof in plaats van op een vuilstortplaats gestort te worden milieuvriendelijk zijn omdat ze niet onmiddellijk ontbinden en het dodelijke broeikasgas methaan laten vrijkomen – hetgeen wel gebeurt als hout of papier wordt gebruikt in plaats van plastic.

Het gebruik van koolstofverbindingen zoals benzine of diesel als brandstof is volstrekt onwenselijk omdat het de opwarming van de atmosfeer van de aarde versnelt. Het blijft niettemin doorgaan omdat de politieke macht naar degenen gaat die beschikken over fossiele brandstoffen. Het verbranden hiervan moet zo snel mogelijk worden stopgezet.

Dergelijke benaderingen zouden de felle critici van deze tijd moeten kunnen kalmeren en de balans in het voordeel van het goede Antropoceen laten doorslaan.

 

Dit fragment is overgenomen uit James Lovelock: Welkom in het Novaceen, uitgegeven door Atlas Contact.