Nieuw: Studio Ecomodernisme, de podcast

Iedere maand een boeiend gesprek over een schone planeet en een goed leven voor iedereen: dat is de opzet van Studio Ecomodernisme. In deze podcast geven we vorm aan deze dialoog door in gesprek te gaan met interessante denkers. Studio Ecomodernisme is een samenwerking tussen Stichting Ecomodernisme en Ecomodernisme.be, het platform van onze Vlaamse strijdmakkers.

Te gast in onze allereerste aflevering is Gerard Govers, geograaf en vicerector aan de KU Leuven. In het debat over de aanpak van klimaatverandering brengt hij een heldere boodschap: we moeten álles doen. Over de sturende rol van de overheid schreef hij onlangs een hoofdstuk in het boek Meer: Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt. In Studio Ecomodernisme – opgenomen in de studio van Urgent.fm, ofwel de studio van de Universiteit Gent – praat gastheer Marco Visscher met Govers over zijn visie over wat de overheid moet doen om de klimaatcrisis te bezweren.

Klik hier om de podcast te beluisteren op uw platform van keuze:  https://podlink.to/StudioEcomodernisme. Vergeet niet te abonneren, zodat u nooit een aflevering mist.

 

Boek: Meer: Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt

Hoe lossen we de grote problemen van deze tijd op: de klimaatverandering, de groeiende ongelijkheid en de biodiversiteitscrisis? Moeten we soberder leven, met minder groei, consumptie en reizen, zoals de groene beweging wil? Of ligt de oplossing in minder overheid, minder ontwikkelingsgeld en minder wetenschap, zoals het rechts-populisme voorstaat?

Niet mínder, maar méér is de enige weg, volgens de auteurs van dit uitdagende boek, een vervolg op de bundel Ecomodernisme. Zo pleiten ze voor meer economische groei en welvaart om armoede te bestrijden en duurzame technologie mogelijk te maken, en voor meer overheidsingrijpen om individuele vrijheid te creëren. Een overvloedige, moderne wereld leidt tot meer geluk en autonomie. Als we dan ook nog in onszelf en ons vernuft durven geloven, ligt er een stralende toekomst in het verschiet. Koop ‘m hier bij Bol.com.

Lees hier de inleiding, geschreven door Hidde Boersma:

In de warme zomer van 2019 publiceert de Britse antropoloog en schrijver Jason Hickel een betoog op de Amerikaanse site New Internationalist onder de titel ‘Progress and Its Discontents’ – vrij vertaald: het ongemak van de vooruitgang. Het is een lange aanklacht tegen vooruitgangsdenkers als ‘Enlightenment Now‘-schrijver Steven Pinker, Microsoft-oprichter Bill Gates, en wijlen ‘rockstar’ statisticus Hans Rosling. Dit trio vertelt al een paar jaar in de media het verhaal dat het uitstekend gaat met de wereld. Dat de industriële revolutie, de globalisering, de vrije handel, de ratio en de wetenschap de planeet rijker, gezonder, geletterder en vrediger hebben gemaakt. De wereld is nooit een betere plek geweest dan nu, is de overtuiging van het drietal en zijn aanhangers, onder wie de meeste schrijvers van dit boek.

Niet volgens Hickel. Volgens hem proberen de zogeheten Nieuwe Optimisten met het verhaal een onderdrukkend economisch systeem van roofkapitalisme en kolonialisme in leven te houden. Hickel vindt dat de ontwikkelingen in de 20e eeuw meer ellende dan goeds hebben gebracht. Het leven was voor veel mensen beter in de 19e eeuw, omdat ze toen ‘overvloedige toegang hadden tot land, water, bossen, vee en een robuust systeem van delen en wederkerigheid’, aldus Hickel. Het idee dat de balans van de globalisering, industrialisering en technologisering die de 20e eeuw kenmerkte, uiteindelijk negatief uitpakt, is populair, alleen al getuige zijn ruim 65.000 volgers op Twitter.

Het is precies het tegenovergestelde verhaal als dat van de Nieuwe Optimisten. Zij zien de 20e eeuw als sluitstuk van wat in de 17e eeuw begon met de Age of Reason en de Verlichting. Toen begon de weg naar de moderniteit; naar een wereld die steeds globaler, individueler, meer verstedelijkt en materieel welvarender werd. Ze stellen dat wetenschap en innovatie, hand in hand met sociale ontwikkelingen als de geboorte van mensenrechten, de wereld een almaar betere en comfortabelere plek maakte. We zijn er nog lang niet, maar als we doorzetten op het pad van vooruitgang en modernisering dan leeft over een paar decennia de hele wereld het goede leven.

Hickel wil er niet aan, en met hem een steeds groter deel van de westerse wereld. Heel langzaam kruipt er sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een chagrijn in ons denken. Neem de resultaten van een onderzoek van het internationaal onderzoeksbureau Ipsos/ mori uit begin 2020, nog voor de coronacrisis toesloeg. Daarin vroeg het bureau participanten of ze vonden dat het land waarin ze woonden zich in de juiste richting bewoog; of ze optimistisch waren over de toekomst. Wat bleek? Een schamele 17 procent van de Italianen vond dat. In Frankrijk was 21 procent daarvan overtuigd en zelfs in Zweden, dat op bijna alle internationale lijstjes van welzijn en geluk bovenin staat, verwacht maar 25 procent van de mensen dat de toekomst beter zal zijn dan het heden. Dat is een markant verschil met opkomende landen. In China bijvoorbeeld gelooft maar liefst 90 procent van de burgers in een betere toekomst. Bij inwoners van India en Saoedi-Arabië is dat respectievelijk 78 en 58 procent: daar zitten de fans van de vooruitgang.

Maar is het pessimisme van Europese landen over de modernisering niet begrijpelijk? Volgens de Amerikaans-Servische econoom Branko Milanovic heeft bijna iedereen op de wereld de afgelopen veertig jaar geprofiteerd van de economische groei en de globalisering, behalve de onder- en middenklassen in het rijke Westen. Hun reële inkomen is al dertig jaar nauwelijks gestegen en voor veel kinderen geboren in deze periode is het maar de vraag of ze het beter krijgen dan hun ouders. Velen hebben het gevoel dat ze stilstaan, terwijl de rest van de wereld hen inhaalt. Dat doet het zelfvertrouwen geen goed. Logisch dat mensen twijfelen of ze met de modernisering wel de goede weg zijn ingeslagen.

Dat gevoel wordt ook gevoed door wat economen de wet van de afnemende meeropbrengsten noemen: vooruitgang in welvaart levert het meeste op voor mensen die arm zijn en een onzekere plaats hebben in de maatschappij. Ben je al rijk, verzekerd van inkomen en wonend in een veilige omgeving, dan zal vooruitgang hoogstens iets meer van hetzelfde inhouden, en daardoor minder zichtbaar zijn. Wij in het rijke Westen zijn gewend geraakt aan welvaart en vooruitgang. Bovendien: als je heel veel hebt, heb je meer te verliezen dan te winnen. Dat leidt tot behoudzucht, in plaats van vernieuwing.

Velen hebben het gevoel dat ze stilstaan, terwijl de rest van de wereld hen inhaalt

De afkeer tegen de modernisering in het Westen is niet onschuldig, en wordt cru als deze wordt geëxporteerd naar landen die er nog veel meer bij te winnen hebben. Bijvoorbeeld wanneer rijke westerlingen modernisering van de landbouw ontraden aan Afrikaanse landen, omdat het ‘toch ook nadelen heeft’; is het niet beter dat kleine boeren zonder kunstmest en tractoren werken, en zelfvoorzienend blijven? Of dat men zich gaat afvragen of iedereen op de wereld wel écht een wasmachine nodig heeft, zoals Rosling optekende uit de mond van zijn studenten. En het kan toch niet de bedoeling zijn dat al die Bolivianen en Laotianen uiteindelijk ook auto’s, airco’s en koelkasten kopen en dat ze even makkelijk als wij op het vliegtuig stappen? In deze vorm wordt het westerse pessimisme over de moderniteit ronduit kortzichtig en verwaand.

Het ongemak van de moderniteit is niet het alleenrecht van deze of gene politieke stroming. Het laat zich over de gehele breedte van de maatschappij zien, getuige de twee belangrijkste politieke stromingen van dit moment: het behoudsgezinde populisme aan de rechterkant en het groene denken – de Engelsen hebben er het mooie woord environmentalism voor – aan de linkerkant. Ze zijn minder verschillend dan je zou denken: beide stromingen vinden elkaar in de vaststelling dat modernisering en vooruitgang zijn doorgeschoten, dat het beter is om een stapje terug te doen om een bepaalde harmonie of natuurlijke orde te herstellen die teloor is gegaan. De moderne samenleving is te veel gericht op individuele vrijheid en materiële consumptie, te geglobaliseerd en te decadent. Het leidt tot moreel verval (volgens rechts) en verstoring van onze band met de natuur (volgens links).

Beide ideologieën hunkeren naar de vermeende eenvoud, gemeenschapszin en saamhorigheid van weleer, en romantiseren zo een verleden dat in werkelijkheid niet heeft bestaan. De ene groep wil terug naar de tijd toen mannen nog mannen waren, zoals Forum voor Democratie-voorman Thierry Baudet en de Hongaarse president Viktor Orbán, en toen we trots waren op onze natie. De anderen hebben heimwee naar de tijd toen de mens in harmonie leefde met de natuur, in kleine en hechte gemeenschappen waar mensen naar elkaar omkeken, zoals groene ngo’s als Milieudefensie ons voorspiegelen; daarom voelen ze weinig voor modernisering en industrialisering in ontwikkelingslanden. De uitwerking mag dan deels verschillend zijn, voor beide groepen ligt het antwoord op de uitdagingen van vandaag in ieder geval niet in verdere modernisering.

Zowel rechtse populisten als linkse groene denkers stellen vast dat modernisering en vooruitgang zijn doorgeschoten

Het leidt soms tot bijzondere overeenkomsten tussen progressief en conservatief. Toen in 2019 de oerconservatieve denker Roger Scruton overleed, schreef het dagblad Trouw in een in memoriam dat de rode lijn in Scrutons boeken de angst voor het verlies van het eigene, lokale en traditionele is. Precies dat sentiment resoneert in de strijd van milieuactivisten die inheemse culturen willen behoeden voor de modernisering, of in boeken als In Defense of Food (Een pleidooi voor echt eten) van Michael Pollan en The Hundred Mile Diet van Alisa Smith en J.B. MacKinnon en in populaire ‘groene’ films als The Biggest Little Farm, die het kleinschalige, traditionele leven romantiseren.

Een belangrijke oorzaak van het onbehagen met de moderne maatschappij is het gevoel dat we de controle over het eigen leven kwijt zijn. De kop van Jut hiervoor verschilt aan beide kanten van het politieke spectrum. Volgens de linkerkant zijn vooral grote bedrijven het kwaad: ons voedselsysteem wordt gedomineerd door weinig transparante monopolisten, onze gezondheid door de op winst beluste farmaceutische industrie en ons klimaat wordt om zeep geholpen door een kleine groep van multinationals. Om de controle terug te pakken beginnen mensen hun eigen moestuin of weigeren ze hun kind te laten vaccineren. In haar prijswinnende boek On Immunity beschrijft Eula Biss dat meerdere vriendinnen de verschillende prikken voor hun baby weigeren, als statement tegen de kapitalistische, ondoorzichtige wereld.

Microbioloog en NRC-columnist Rosanne Hertzberger ontwaart bij haar hoogopgeleide, doorgaans linksgeoriënteerde soortgenoten zelfs een trend van ‘ont-ontwikkeling’ als reactie op alle ontwikkeling en comfort. ‘Conserveermiddelen, zoetstoffen, vaccinaties, gentechnologie, de anticonceptiepil zijn voorbeelden van moeizaam tot stand gekomen innovaties die nu van tafel worden geveegd door “de bezorgde burger”,’ schrijft ze. Gemak is verdacht, op pakjes en zakjes om te koken wordt neergekeken. Het leven mag wel wat moeizamer en authentieker en trager, maar uiteraard kan alleen de gegoede klasse zich dit veroorloven en ermee koketteren.

De rechterkant richt zich vooral op de overheid en haar instituten, en tegen de intellectuele ‘elite’ die onze mooie Europese beschaving verloochent en verafschuwt. De Europese Unie moet het ontgelden als megalomaan, geldverslindend en ondemocratisch. Het internationale klimaatpanel IPCC zou een ‘linkse’ klimaatagenda hebben, in Nederland kweken populisten wantrouwen tegen het RIVM en het KNMI, door ze te beschuldigen van het hebben van een politieke kleur. Dat ging zo ver dat de VVD in 2011 het meteorologische instituut zelfs wilde opheffen vanwege ‘partijdigheid’ in het klimaatdebat. De oplossingen lijken duidelijk: grenzen dicht, Nexit, weg met de huidige elites en hun culturele zelfhaat en multiculturalisme, en een terugkeer naar traditionele sekserollen en masculiene autoriteit: alles weer als vanouds onder controle.

De verhoopte resultaten van links en rechts lijken sterker op elkaar dan beide richtingen lief is: een kleinschaligere, overzichtelijke, eenvoudige, minder open en minder geglobaliseerde wereld. Dat rechts zich weinig hard maakt voor vooruitgang en modernisering mag geen verrassing heten, zij zijn immers vooral begaan met het behoud van het bestaande en waarschuwen al eeuwen voor het geloof in maakbaarheid en roekeloos optimisme. Dat ze af en toe opkomen voor progressieve waarden, zoals het homohuwelijk, komt vooral omdat die tegenwoordig deel uitmaken van de zogenaamde typisch Nederlandse cultuur – een nieuwe status-quo -, ook al werden ze destijds hard bevochten op rechtse krachten. (Een groot deel van de VVD, inclusief leider Frits Bolkestein, stemde destijds tegen openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van hetzelfde geslacht.)

Met nieuwe rechten voor minderheden zoals transgenderpersonen of moslims hebben ze al een stuk meer moeite. Bovendien is er het dedain voor een van de belangrijkste motoren achter de vooruitgang – de wetenschap – vanwege de positie van veel wetenschappers in het klimaatdebat en recenter het stikstofdossier, waarbij actievoerders de kennis van het RIVM en van wetenschappers van onder andere Wageningen University in twijfel trekken.

Communisme, socialisme, sociaal-democratie: ze draaiden om het streven naar een wereld vol welvaart

Dat ook links zich afkeert van de vooruitgang en de modernisering, is echter opvallend: in de 20e eeuw was de hele premisse van links de verheffing van de arbeider en andere minderbedeelden. Iedereen moest mee in de vaart der volkeren, iedereen moest mee kunnen profiteren van welvaart en comfort. Van het communisme via het socialisme tot de sociaal-democratie, al deze stromingen draaiden om het streven naar een wereld vol welvaart. ‘Communisme is Sovjetmacht plus de elektrificatie van het hele land,’ placht Vladimir Lenin te zeggen; iedereen zou toegang moeten hebben tot goedkope energie om comfortabel te kunnen leven. In diezelfde lijn meende PvdA-voorman Joop den Uyl in de jaren zestig dat ‘alle mensen recht hebben op een eigen auto voor de deur, óók de arbeiders’. De sociaal-democratie slaagde er in de 20e eeuw in om arbeiders massaal mee te laten profiteren van de stijgende materiële welvaart en was bovendien verantwoordelijk voor het optuigen van een brede welvaartsstaat.

Dat alles veranderde in de jaren zeventig, vooral na de publicatie van Grenzen aan de groei van de Club van Rome in 1972. In dat rapport waarschuwde de club van Europese wetenschappers dat de mensheid de draagkracht van de aarde zou overschrijden als men zou doorgaan op de ingeslagen weg. Links omarmde het rapport en plots had het een ideologie waar welvaart en vooruitgang tegenover het lot van de planeet worden gezet, als waren het twee onverzoenbare machten. Niet toevallig valt deze transitie samen met de overname van links, en dan met name de sociaal-democratie, door de stedelijke midden- en bovenklasse, voor wie welvaartsgroei niet meer het belangrijkste was. De arbeiders en de mensen in ontwikkelingslanden hebben het nakijken.

Het levert voorstellen op die de oude socialisten en sociaal-democraten zich in hun graf zouden doen omdraaien, zoals pleidooien voor ontgroeiing (degrowth). In linkse kringen zijn op dit moment denkers als de eerdergenoemde Jason Hickel, George Monbiot en Giorgos Kallis populair, die stuk voor stuk pleiten voor minder economische welvaart en een soberder leven. Het is wat Michael Shellenberger, een van de grondleggers van het ecomodernisme, in een stuk op de linksgeoriënteerde, Amerikaanse website Alternet The Great Reversal noemt, de grote ommekeer.

Het mag dan ook geen verrassing zijn dat linkse denkers de huidige coronacrisis aangrijpen om de moderne wereld aan te klagen. In een retoriek die doet denken aan de boetepreken van zware dominees stellen ze dat deze crisis een ‘logische correctie is op onze megalomane levensstijl’, aldus amc-psychiater Damiaan Denys. ‘covid-19 is niet het virus, wij zijn het virus’, is een populaire meme op sociale media. Myriam Dumortier van de groene denktank Oikos vindt in het Belgische tijdschrift Knack dat deze crisis laat zien ‘dat we onze verhouding met de natuur moeten herzien’. ‘covid-19,’ zo schrijft ze, is een ‘stuiptrekking van een systeem dat zijn limieten overschreden heeft.’ Zoals hiv volgens sommigen de schuld was van onze immorele levensstijl, zo is het coronavirus dat van het consumentisme. Zelfs de Verenigde Naties gaan erin mee, zoals hoofd milieuzaken Inger Andersen: ‘De natuur stuurt ons een boodschap.’

Ook overvloedige energie is verdacht. Een van de grondleggers van de milieubeweging, Paul Ehrlich, schrijver van het invloedrijke The Population Bomb (De bevolkingsexplosie), vond al in de jaren zeventig dat ‘het geven van overvloedige, goedkope energie aan een samenleving, gelijkstond aan het geven van een machinegeweer aan een kind’. Die opmerking resoneert in moderne, linksgeoriënteerde milieubewegingen zoals Greenpeace, die bij hun berekeningen van toekomstig energiegebruik altijd uitgaan van een drastische reductie: hoe minder energie mensen gebruiken, hoe beter. Maar om welvaart tot stand te brengen, heb je overvloedige en goedkope energie nodig. Dat was bij ons zo de afgelopen twee eeuwen, en dat zal ook zo zijn in ontwikkelingslanden. De wereld heeft méér energie nodig, niet minder.

Het wordt tijd dat we als mens opnieuw durven te geloven in onszelf, in onze kracht om de wereld beter te maken

De visie van links op wetenschap veranderde ook. Daar waar wetenschap en technologie voorheen manieren waren om het leven te verlichten en de levenskwaliteit te verbeteren, wekt de wetenschap vandaag achterdocht op. Invloedrijke postmoderne denkers zoals Michel Foucault en Bruno Latour ondergroeven het geloof in wetenschappelijke kennis door die te kenschetsen als een subjectief product van haar tijd en door wetenschappers te ontmaskeren als autoritaire machtstrevers. Ze waarschuwen voor de gevaren van technologische vooruitgang en overmoed.

Ook op dat punt vonden links en rechts elkaar. Het voorzorgsprincipe, een van oorsprong conservatief instrument, werd onder druk van groene partijen stevig verankerd in het gedachtegoed van de Europese Unie: als we niet kunnen bewijzen dat iets veilig is, laten we het niet gebruiken, ongeacht de voordelen. En aangezien het bijzonder moeilijk is om met absolute zekerheid te bewijzen dat een nieuwe technologie geen enkel schadelijk neveneffect heeft, zet het voorzorgsbeginsel een enorme rem op technologische vooruitgang. Zelfs Wouter van Dieren, een van de oprichters van de Club van Rome, stoort zich aan de ‘behoudzucht van de wauwelende milieuorganisaties’, vertelde hij begin 2020 in een interview in Trouw.

Geen wonder dat het kamp van de vooruitgangsdenkers stilaan leegloopt. Wie staat vandaag nog voor moderniteit, voor meer welvaart, energie en gemak voor iedereen? In deze bundel komen elf denkers van verschillende politieke snit aan het woord, die het vooruitgangsdenken weer willen aanwakkeren. Het is een pleidooi voor overvloed, voor verbetering, voor overdaad en voor modernisering. Dat is broodnodig, want rijke westerlingen mogen dan wel genieten van de zegeningen van vooruitgang, maar dat geldt lang niet voor iedereen. Nog steeds leven er ruim 800 miljoen mensen in extreme armoede, nog steeds moeten 940 miljoen mensen het stellen zonder elektriciteit. Nog steeds zijn er te veel mensen die de vrijheid en het geluk van de moderne wereld ontberen.

Er is juist meer welvaart en innovatie nodig om duurzame technologieën te ontwikkelen en de wereld mooier te maken. Het wordt tijd dat we als mens opnieuw durven te geloven in onszelf, in onze kracht om de wereld beter te maken. Opdat iedereen een verheven, comfortabel, veilig en gelukkig leven kan leiden op een bloeiende groene planeet. Dat zijn wij aan onszelf verplicht, en aan iedereen die het veel minder getroffen heeft dan wij.


Zie voor een recensie van het boek:

James Lovelock: “Feiten vervangen door geloof lost milieucatastrofe niet op”

In kringen van milieubeschermers is James Lovelock een vooraanstaande figuur. Zijn beroemdste uitvinding was een instrument dat de schade van cfk’s in de atmosfeer registreerde en aldus een milieuramp afwendde. Zijn bekendste theorie handelt over Gaia – de aarde als levend organisme – en leidde tot een nieuw ecologisch bewustzijn. Zijn werk is bekroond met vele onderscheidingen.

En nu, op 100(!)-jarige leeftijd, laat de Britse legende opnieuw van zich horen met een nieuw boek: Welkom in het Novaceen, over de rol van kunstmatige intelligentie. Hieronder plaatsten we, met toestemming van uitgeverij Atlas Contact, een boekfragment waarin Lovelock ingaat op het ecomodernisme.

 

Er is op dit moment een stevig debat aan de gang over het Antropoceen: is het iets goeds of iets slechts? Er is sterk bewijs dat het slecht is: opwarming en dus verzwakking van de planeet, meer dodelijke en vernietigende oorlogvoering, uitsterving van soorten, enzovoort. Veel hiervan kan worden toegeschreven aan de verbazingwekkend snelle groei van de wereldbevolking. Toen Thomas Newcomen zijn stoommachine maakte in de vroege achttiende eeuw lag de wereldbevolking rond de 700 miljoen; nu is dat 7,7 miljard, meer dan tien keer zoveel, en naar verwachting zal zij in 2050 de tien miljard naderen.

Maar, zou je zeggen, meer mensen en meer menselijke ontwikkeling zijn juist goed – en misschien is dat ook zo.

De milieudeskundige Mark Lynas heeft betoogd dat jager-verzamelaars 10 vierkante kilometer grond nodig hadden per mens; nu bevinden zich op iedere vierkante kilometer van Engeland vierhonderd mensen. Als de bevolking van Engeland terug zou moeten gaan naar jagen en verzamelen, dan zou ze een grondgebied met een grootte van twintig keer dat van Noord-Amerika nodig hebben.

Lynas’ punt is niet per se negatief. Hij gelooft dat het Antropoceen op een geweldig tijdvak zou kunnen uitdraaien. ‘Als geleerden, wetenschappers, activisten en burgers,’ staat er in het Ecomodernistisch Manifest waaraan hij met anderen schreef, ‘schrijven wij in de overtuiging dat kennis en technologie, verstandig toegepast, kunnen zorgen voor een goed of zelfs groots Antropoceen. Een goed Antropoceen vereist dat mensen hun groeiende sociale, economische en technologische vaardigheden gebruiken om het leven voor mensen te verbeteren, het klimaat te stabiliseren en de natuur te beschermen.’

 

De jager-verzamelaar had 10 km2 grond nodig per persoon; nu bevinden zich op iedere vierkante kilometer van Engeland 400 mensen.

 

Dat is waanzin, zeggen de aanhangers van een ‘slecht Antropoceen’. Zij zien ecomodernisme als humanistisch bijgeloof. Volgens hen is het net als de godsdiensten van het verleden een manier om de mensen te pacificeren en hen ervan te weerhouden actie te voeren om de planeet tegen de roofzucht van het kapitalisme te beschermen.

‘De slachtoffers die geneigd zijn om tegen het systeem te protesteren,’ schrijft Clive Hamilton, een Australische professor in de Publieke Ethiek, in ‘The Theodicy of the ‘‘Good Anthropocene’’’, ‘worden door de gouden belofte van een nieuw tijdperk in een zwijgende overgave gesust. De boodschap van het goede Antropoceen aan hen die nu en in de toekomst door mensen veroorzaakte droogte, overstromingen en hittegolven moeten verduren, is: jullie lijden voor een hoger goed; we zullen jullie helpen het te verzachten als dat mogelijk is, maar jullie pijn is terecht.’

In deze interpretatie verandert ecomodernisme in een pleidooi dat het bestaan van het kwaad in een door een goede god gemaakte wereld uitlegt. In dit geval staat de god voor vooruitgang en de kwaden zijn de armoede en het lijden die voortbestaan in de wereld totdat er voldoende vooruitgang is geboekt. Net als gelovigen pleiten voor meer god in onze levens, zo pleiten de ecomodernisten voor meer vooruitgang.

Dergelijke redenaties zijn op zich interessant, maar Hamiltons retoriek maakt duidelijk hoezeer zij van politiek doordrenkt zijn. Voor Hamilton en vele anderen doen de ecomodernisten het vuile werk van het mondiale kapitalisme; voor Lynas en andere protagonisten van een goed Antropoceen zijn hun tegenstanders als de vroegnegentiende-eeuwse luddieten die machines vernielden om te voorkomen dat die hun banen inpikten.

Dit is een simpele weergave van een ingewikkelde discussie die veel nuances kent – de anti’s verwerpen niet iedere vooruitgang en de pro’s geven toe dat er gevaren zijn op de weg naar het goede Antropoceen –, maar het geeft een globale schets van de discussie. Het is een debat waarin ik mijzelf veel dichter bij de ecomodernisten dan bij de anti’s zie.


Het verlangen naar de betere tijden van voor het Antropoceen is een fantasie.

 

Het eerste probleem met de anti’s is hun afhankelijkheid van een standpunt met een religieuze ondertoon. Hun verlangen naar de betere tijden van voor het Antropoceen is een fantasie, ten eerste omdat geen gouden tijd ooit vrij is geweest van leed en gebrek en ten tweede omdat je om terug te gaan naar die tijd je alle duidelijke voordelen van het moderne leven zou moeten terugdraaien.

Dit alles is ingepakt in politiek, en op dezelfde manier als delen van het christendom zijn vervormd tot socialisme, neigt de huidige linkervleugel van de politiek ernaar zich om te vormen tot een groene godsdienst. De vervanging van feiten door geloof zal de dreiging van een milieucatastrofe niet oplossen.

Maar wat zijn de feiten? In eerste instantie moeten we het Antropoceen zien als een periode waarin mensen de macht hebben om op mondiaal niveau significante beslissingen te nemen; het gebruik van cfk’s was daar één van, evenals de oplegging van een verbod op hun gebruik. Deze beslissingen kunnen verkeerd zijn en onvoorziene uitkomsten hebben, maar het gaat erom dat we de macht hebben om ze te nemen.

Ten tweede moeten we afstappen van de politiek en psychologisch beladen idee dat het Antropoceen een grote misdaad tegen de natuur is. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk, maar noch Newcomens stoommachine noch een kerncentrale ziet eruit of gedraagt zich als een zebra of een eikenboom; ze zijn in alle opzichten totaal verschillend.

Desondanks is het waar dat ondanks de associatie met mechanische dingen het Antropoceen een gevolg is van het leven op aarde. Het is een product van de evolutie; het is een expressie van de natuur. Evolutie door natuurlijke selectie wordt meestal weergegeven in de stelling: ‘Het organisme dat de meeste nakomelingen produceert, wordt geselecteerd.’ De stoommachine was absoluut vruchtbaar, en haar opvolgers, die zich in rap tempo ontwikkelden door de verbeteringen van uitvinders zoals James Watt, waren dat evenzeer. Dit proces ontwikkelde zich tot de industriële revolutie en heeft ons een eeuw van technische en wetenschappelijke roem gegeven.

Uiteraard heeft het Antropoceen met zijn technologische vooruitgang tevens tot wrede concurrentie geleid voor degenen wier enige manier van levensonderhoud bestond uit het verkopen van lichamelijke arbeid. En het is ook zeker waar dat onze huidige beschaving ecologisch schadelijke keuzes heeft gemaakt. Maar ik geloof dat de aarde zich als een levend fysiologisch systeem gedraagt, en in dat soort systemen gaan veranderingen ten goede vaak hand in hand met nadelen.

We hebben de afgelopen driehonderd jaar enorme veranderingen aan het milieu op aarde aangebracht. Sommige daarvan – zoals de achteloze vernietiging van natuurlijke ecosystemen – zijn absoluut slecht. Maar hoe zit het met de enorme verlenging van de levensverwachting, de vermindering van armoede, de verspreiding van onderwijs voor iedereen en de vergemakkelijking van onze levens, niet in het minst door de wijdverbreide beschikbaarheid van elektriciteit?

 

De aarde gedraagt zich als een levend fysiologisch systeem, waarin veranderingen ten goede vaak hand in hand gaan met nadelen.

 

Tegenwoordig vinden de meesten onder ons informatietechnologie, vliegreizen en de geschenken van de medische wetenschap heel vanzelfsprekend. Maar laten we eens honderd jaar terugdenken, naar de tijd waarin ik werd geboren, net na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Toen waren er (behalve voor de rijken) geen elektrisch licht, geen auto’s of telefoons, geen radio of tv en geen antibiotica. Er waren grammofoonplaten van schellak die afspeelbaar waren op een opwindbare grammofoon met trompetten als luidsprekers, maar dat was alles. Het is leuk en aardig om te hunkeren naar een landelijk leven tussen bomen en weilanden, maar dat zou geen verwerping moeten inhouden van de ziekenhuizen, scholen en wasmachines die het leven zoveel beter hebben gemaakt.

De fouten die de milieubeweging maakt, komen voort uit haar politiek gemotiveerde versimpelingen, die alle goede dingen die het Antropoceen ons gebracht heeft lijken te verwerpen. We moeten onthouden dat het bij Gaia allemaal om randvoorwaarden en gevolgen gaat. Dit was vooral zo in de geschiedenis van de cfk’s. De milieubeweging zei dat die afgeschaft moesten worden vóórdat er een vervanger beschikbaar was. Dat zou betekend hebben dat er geen ijskasten meer zouden zijn.

De huidige campagne tegen plastics kent een vergelijkbare alles-of-nietsbenadering. Voor het overgrote gedeelte gaat het hier om vaste, lichtgewicht, transparante en elektrisch isolerende materialen. De meeste zijn gemaakt van koolstofverbindingen die het bijproduct zijn van de petroleumindustrie. Zonder deze materialen of materialen met soortgelijke eigenschappen zou de moderne samenleving moeilijker en veel duurder zijn. Plastics vormen de basis voor dingen als optische lenzen voor brillen, ramen en uiteraard alles wat transparant moet zijn of elektrische isolatie moet hebben. Ze hebben ook fascinerend mechanische kenmerken die niet gedeeld worden met metalen of keramiek, zoals een grote elasticiteit.

 

De fouten die de milieubeweging maakt, komen voort uit haar politiek gemotiveerde versimpelingen.

 

De ware milieubezwaren zijn niet tegen de plastics zelf, maar tegen ons falen om hun gebruik als eenmalig verpakkingsmateriaal te reguleren. Dat moet dus worden beperkt, maar tegelijkertijd zou het niet moeilijk moeten zijn om hun automatische afbraak in water en koolstofdioxide te bewerkstelligen – we moeten onderzoek doen naar het verkrijgen van dergelijke technologieën. Maar met hun bezwaren tegen plastics lijkt de milieubeweging niet geïnteresseerd in pogingen om hun schadelijke eigenschappen te modificeren of te elimineren.

Een groter bezwaar, dat wij allen delen, is ons falen om een alternatieve methode van verpakken te vinden die op grote schaal verspreid kan worden. Het is in ieder geval de moeite van het vermelden waard dat plastics die verbrand worden als brandstof in plaats van op een vuilstortplaats gestort te worden milieuvriendelijk zijn omdat ze niet onmiddellijk ontbinden en het dodelijke broeikasgas methaan laten vrijkomen – hetgeen wel gebeurt als hout of papier wordt gebruikt in plaats van plastic.

Het gebruik van koolstofverbindingen zoals benzine of diesel als brandstof is volstrekt onwenselijk omdat het de opwarming van de atmosfeer van de aarde versnelt. Het blijft niettemin doorgaan omdat de politieke macht naar degenen gaat die beschikken over fossiele brandstoffen. Het verbranden hiervan moet zo snel mogelijk worden stopgezet.

Dergelijke benaderingen zouden de felle critici van deze tijd moeten kunnen kalmeren en de balans in het voordeel van het goede Antropoceen laten doorslaan.

 

Dit fragment is overgenomen uit James Lovelock: Welkom in het Novaceen, uitgegeven door Atlas Contact.