Stichting Ecomodernisme steunt Stand Up for Nuclear

Deze maand zullen door heel Nederland mensen uiting geven aan hun wens om kernenergie onderdeel te laten zijn van het klimaatbeleid. In steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Deventer en Vlissingen vinden lokale acties plaats van 19 tot en met 27 september. Stichting Ecomodernisme steunt het initiatief en verrichtte alvast de aftrap in Amsterdam. (Op de foto van links naar rechts: Ralf Bodelier, Mirjam Vossen, Joris van Dorp, Linda Fontijn, Marco Visscher en Joost van Kasteren.)

De acties maken deel uit van Stand Up for Nuclear: een campagne van de groeiende internationale beweging van klimaatactivisten en natuurbeschermers die opkomen voor kernenergie. Kerncentrales leveren CO2-vrije energie, sparen het landschap en de natuur, en zijn een duurzaam alternatief voor fossiele centrales op aardgas of steenkool. De deelnemers zien kernenergie als onderdeel van de oplossing voor grote uitdagingen, zoals de opwarming van de aarde, het verlies van biodiversiteit en de toenemende behoefte aan energie in arme en opkomende landen.

Dit jaar zullen betrokken burgers hun steun voor kernenergie laten blijken op pleinen, in parken, voor treinstations en bij monumenten. Hier gaan ze in gesprek met voorbijgangers over de voordelen van (en misverstanden over) kernenergie. Deze maand zijn er acties in 18 landen, van Argentinië tot Zuid-Korea. In Groot-Brittannië was er steun van bekende actievoerders als Zion Lights (voormalig Extinction Rebellion) en auteur Mark Lynas. In Duitsland vonden voorstanders van kernenergie elkaar bij het hoofdkantoor van Greenpeace.

Stand Up for Nuclear staat los van politieke en commerciële belangen. Een overzicht van de manifestaties in Nederland wordt hier bijgehouden. Aanmeldingen voor acties zijn welkom op mail@nuclearpride.nl. In Nederland wordt Stand Up for Nuclear gesteund door Stichting Ecomodernisme, Stichting Thorium MSR en NuclearPride.nl. Deze maken onderdeel uit van de Nuclear Pride Coalition, een internationaal verband van pro-nucleaire NGO’s zoals Environmental ProgressSaving Our Planet en Mothers for Nuclear.

Waarom de wereld niet minder, maar méér energie nodig heeft

Geef de mens genoeg energie en hij bezit superkrachten. Hoezo, vraagt Marco Visscher zich af, is het dan progressief om kleinschalige, dure energie te steunen? Een hoofdstuk uit het boek Meer: Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt.

Door Marco Visscher

I

Het ging van tring-tring en vroem-vroem. Ineens maakten telefoons en auto’s de wereld groter – een wereld waarvan Amerika zojuist de leider was geworden. In de avond was er de radio, in het weekend de bioscoop. De man werkte op een kantoor, de vrouw droeg een korte rok en samen dansten ze de charleston. In de roaring twenties gebeurde het allemaal in de stad.

In de uitgestrekte vallei van de Tennessee kregen de boeren daar niets van mee. IJverig verbouwden zij voedsel voor familie en vee. Oogsten waren wisselvallig; al te vaak zette de duizend kilometer lange rivier het land onder water. De meeste bossen waren gekapt, de gronden uitgeput, de wegen hobbelig. Bijna een derde van de inwoners kreeg malaria. Er was geen goede gezondheidszorg, geen riolering en geen elektriciteit.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwden de Amerikanen in dit heuvelachtige gebied – om precies te zijn in Muscle Shoals, in het noorden van Alabama – twee wapenfabrieken voor de productie van explosieven. De benodigde elektriciteit kwam van een nieuw aangelegde waterkrachtcentrale. Het hele complex was nog maar net open toen de oorlog eindigde. In 1920 kwam het zaakje in de verkoop.

Henry Ford, de automagnaat, had belangstelling. Hij wilde de regio moderniseren met de elektriciteit van de waterkrachtcentrale en met de productie van kunstmest in de twee fabrieken. Zijn bod: 5 miljoen. Het voorstel werd besproken in het Amerikaanse Congres, waar het op verzet stuitte van George Norris, een senator uit Nebraska. Een schijntje, vond hij het, want de waterkrachtcentrale en de fabrieken hadden de Amerikanen 130 miljoen dollar gekost. Mocht het Congres instemmen met het bod van Ford, zou dat “het grootste geschenk zijn dat ooit aan de mensheid is gegeven sinds het werd bevrijd van de erfzonde”.

Norris wantrouwde commerciële energieleveranciers. Zij beheersten de energiemarkt, praktisch ongehinderd door enige regulering, en vroegen exorbitante prijzen. Norris vreesde dat Ford uit was op winst, evenals andere potentiële kopers. Energie, zo vond hij, moest niet zozeer winstgevend zijn maar goedkoop. Hij had een beter plan: de Amerikaanse overheid moest die elektriciteit gaan leveren in de wijde omtrek.

De eigenzinnige senator lag net zo lang dwars totdat Ford zijn bod introk. De verkoop werd afgeblazen. Hij kreeg echter geen steun voor zijn wetsvoorstel voor nationalisering van de elektriciteitsvoorziening in Muscle Shoals. Twee Republikeinse presidenten hielden het tegen. Norris gaf niet op. In 1933 lag zijn plan aan de basis van een uniek staatsbedrijf dat voor miljoenen landgenoten elektriciteit zou leveren. De oprichtingsakte van de Tennessee Valley Authority (TVA) werd gesierd met een handtekening van de net aangetreden president Franklin D. Roosevelt.

Energie, zo vond de eigenzinnige senator, moest niet zozeer winstgevend zijn maar goedkoop

In tien jaar bouwde de TVA zestien waterkrachtcentrales. De regio, inclusief delen van Kentucky, Georgia, Mississippi, Virginia en North Carolina, zou onherkenbaar veranderen. Stuwdammen verlegden de loop van de Tennessee, met stuwmeren die wateroverlast voorkwamen. De stroom, opgewekt met turbines langs de sluizen, trok industrie aan, er kwamen nieuwe banen. Boeren konden hun land irrigeren en zagen hogere opbrengsten dankzij de grootschalige productie van kunstmest – een proces dat veel energie vergt. Werknemers van de TVA gingen bomen planten en creëerden nationale parken en honderden recreatiegebieden. Je kon er fijn wandelen, fietsen en vissen. De natuur was getemd en iedereen bloeide op.

Een daverend succes, dat was het. In 1930 beschikte slechts tien procent van de Amerikaanse boeren over elektriciteit, twintig jaar later was dat negentig procent. In de tussentijd stimuleerde de overheid het elektriciteitsgebruik in huishoudens. Campagnes wezen vrouwen – vooral vrouwen – op het gemak van een wasmachine, een koelkast en een fornuis. Hoofdfiguur in de advertenties was Reddy Kilowatt, “uw onvermoeibare huissloof”.

De komst van de TVA markeerde een historische overgang: van goedkope arbeid naar goedkope energie. Twintig jaar later was het staatsbedrijf uitgegroeid tot het kroonjuweel van de New Deal, het hervormingsprogramma dat de VS uit de crisis van de jaren dertig haalde. Dit werd het model voor andere landen om achtergebleven gebieden te moderniseren. En George Norris, de aanjager van de TVA, werd vele jaren na zijn dood uitgeroepen tot de beste senator uit de Amerikaanse geschiedenis.

De ontstaansgeschiedenis van de Tennessee Valley Authority  staat symbool voor een progressieve agenda. We zien het verlangen om welvaart te creëren en te verspreiden. We zien ook de overtuiging dat de overheid een bepalende rol heeft. En we zien zelfs een prille gevoeligheid voor milieuzorg – een gevoeligheid die zo zou aanzwellen dat ze honderd jaar later de vooruitgang is gaan dwarsbomen.

II

Vandaag lijken de levensomstandigheden van veel mensen in ontwikkelingslanden op die van de bewoners van de drassige vallei van de Tennessee, amper een eeuw geleden. Ze verbouwen hun eigen voedsel, met wisselvallige oogsten, afhankelijk van het weer, op uitgeputte gronden in ontboste gebieden waar malaria heerst, zonder verharde wegen, zonder goede gezondheidszorg, zonder riolering en elektriciteit.

Om te koken of warm te blijven, zijn zo’n drie miljard mensen – vier op de tien wereldbewoners – aangewezen op biomassa, ofwel: bij elkaar gesprokkelde takken, aangevuld met gedroogde mest, bladeren en stengels. In de omgeving zorgt dat voor ontbossing, bodemerosie en verlies van biodiversiteit. In slecht geventileerde huizen en hutten leidt de rook tot longziekten, hartkwalen en luchtweginfecties. Zeker anderhalf miljoen mensen sterven ieder jaar door de rook binnenhuis. Meer dan de helft van hen zijn baby’s, peuters en kleuters.

Van die drie miljard mensen beschikt ongeveer één miljard niet over elektriciteit, de rest over slechts een piepklein beetje. Dat is vooral zo in landelijke gebieden in Afrika en Azië. In de steden is het er beter, maar of er werkelijk iets uit het stopcontact komt, is vaak maar de vraag; een stroomuitval kan wel weken duren. Het is volgens experts juist deze vorm van energie die cruciaal is voor ontwikkeling, omdat ze het alledaagse leven verbetert, vooral voor vrouwen, en een fundament legt voor modernisering. Elektriciteit is, in de woorden van energie-analist Robert Bryce, de ultimate poverty killer.

De gebrekkige toegang tot moderne energie houdt sociaal-economische ontwikkeling tegen. De meeste mensen, jong en oud, werken op het land waar ze onkruid wieden. Vrouwen moeten iedere dag opnieuw koken en wassen. In ziekenhuizen en gezondheidsklinieken bederven medicijnen of valt het licht uit tijdens een operatie of bevalling.

Elektriciteit is, in de woorden van energie-analist Robert Bryce, de ultimate poverty killer

De oplossing is er allang. Aan het einde van de negentiende eeuw wilde Thomas Edison zijn gloeilampen verkopen. Voor zijn lamp had je stroom nodig, dus liet hij een complete infrastructuur aanleggen. Edison volgde het model van de bedrijven die centraal opgewekte energie via pijpleidingen aanleverden bij de klanten – vooral fabrieken en notabelen – die licht en warmte afnamen. Edison legde het fundament voor de opkomst van nieuwe en kleine elektrische apparaten die het werk in het huishouden zouden verlichten. (Excuses voor de woordspeling.)

Nog niet iedereen profiteerde, zoals ook senator Norris en president Roosevelt later zouden opmerken. De elektriciteitsbedrijven vonden het te duur om afgelegen gebieden te bedienen. De arme sloebers zouden de rekening toch niet kunnen betalen. Daarom bleven ook arbeiderswijken in de steden afgesneden van de diensten. Linkse denkers en activisten voerden vurig campagne om de geneugten van het moderne leven naar het gewone volk te brengen.

Karl Marx bijvoorbeeld. In het Communistisch Manifest uit 1848 roemde hij “de onderwerping van de natuurkrachten, aanwending van de scheikunde op nijverheid en landbouw, machinerie, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, het bevaarbaar maken van de rivieren”. Volgens Marx moesten we voortbouwen op deze verworvenheden en de terreinen van industrie, wetenschap, telecommunicatie en landbouw verder ontwikkelen. Dan konden ook de sloebers er de vruchten van plukken.

Het bleef niet bij Marx. In de eerste zin van een artikel uit 1923 schreef Sylvia Pankhurst, net als haar moeder Emmeline een befaamde voorvechtster van vrouwenkiesrecht: “Socialisme betekent overvloed voor iedereen.” En even verderop: “We prediken geen evangelie van gebrek en schaarste, maar van overvloed.” En: “Wij roepen niet op tot geboortebeperking of spaarzaamheid (…). Wij vragen om een weergaloze productie voor alle mensen – en meer dan alle mensen kunnen consumeren.”

De levering van energie is zo cruciaal voor de menselijke ontwikkeling, dat niemand er verstoken van moet blijven

In die jaren werkte de nog jonge Sovjet-Unie aan de aanleg van een gigantisch elektriciteitsnet. Het was het paradepaardje van de revolutionair Vladimir Lenin die in 1920 als slogan gebruikte: “Communisme is Sovjetmacht plus de elektrificatie van het hele land.” Het netwerk van regionale energiecentrales, waaraan ook Lenins opvolgers werkten na zijn dood in 1924, moest de enorme verschillen tussen stad en platteland opheffen. Het zou de economie transformeren, industrialisatie op gang brengen en een einde maken aan de schrijnende armoede.

Het waren niet alleen de stemmen op de politieke linkerflank die het belang van energie herkenden. De Tennessee Valley Authority kwam weliswaar tot stand onder Roosevelt, een Democraat, maar George Norris was een Republikein. Norris bewees dat zelfs conservatieven in een kapitalistisch land het erover eens waren dat de staat zich moet bemoeien met de levering van energie. Die is zo cruciaal voor de menselijke ontwikkeling, dat niemand er verstoken van moet blijven. Want energie die altijd beschikbaar is en nog betaalbaar ook, levert ons superkrachten.

III

Op de website van Greenpeace lezen we over klimaatverandering. Een warmere planeet kan ecosystemen en samenlevingen ontwrichten. “Gletsjers smelten, poolijs verdwijnt, de zeespiegel stijgt, koraalriffen verbleken en hevige droogten veroorzaken honger en oorlog.” Als het probleem is geschetst, lezen we: “De oorzaak: we verbruiken (en verspillen) te veel energie.”

Dit is een veelvoorkomende, maar onjuiste typering. Niet energie, maar fossiele brandstoffen zijn de oorzaak van klimaatverandering.

De verwarring ligt voor de hand. Van alle energie die we op aarde gebruiken, is liefst tachtig procent afkomstig van fossiele brandstoffen. Bij de verbranding van kolen, olie en gas komen broeikasgassen vrij, zoals CO2, waardoor de aarde opwarmt. De energiesector geldt als de voornaamste veroorzaker van klimaatverandering. Deze onmiskenbare feiten hebben geleid tot het problematiseren van energie. Immers, als nog eens miljarden mensen zomaar meer energie gaan gebruiken, gaat de wereld naar de gallemiezen.

Die les klonk ook in de jaren zestig. Een ontluikende milieubeweging vroeg aandacht voor de eindige voorraden van grondstoffen en voor de vervuiling van bodem, water en lucht. De oplossing: grenzen aan de groei. Minder energie. Minder consumeren. Minder auto rijden. Minder vliegen. Minder vlees eten. Minder douchen. Minder kinderen krijgen…

Vooral energie – als motor van alle materiële voorspoed – kreeg een kwalijke klank. “De samenleving voorzien van goedkope, overvloedige energie is hetzelfde als een mitrailleur geven aan een achterlijk kind,” schamperde Paul Ehrlich, auteur van The population bomb. Een andere intellectueel kopstuk, Amory Lovins, stelde dat het de essentie van de groene overtuiging is om “zo weinig mogelijk energie” te verbruiken. Want, volgens het fameuze motto van E.F. Schumacher uit de jaren zeventig: “Klein is fijn.”

De oplossing van de milieubeweging – minderen – stond haaks op alles waarvoor progressieve roergangers eerder vochten

Minderen stond haaks op alles waarvoor progressieve roergangers eerder vochten. Toch belandde het woord in het rode vocabulaire. Na de val van communistische regimes in Oost-Europa in 1989 moest links zichzelf opnieuw uitvinden. Er was materiële welvaart, een sociaal vangnet en politieke vertegenwoordiging. Hoe nu verder?

Inspiratie kwam van de milieubeweging. De verwantschap zat ‘m vooral in de kritiek op het kapitalisme. Welvaart, overvloed, vooruitgang: deze oude idealen waren niet langer een gezond streven voor de achterblijvers. Nee, ze werden honend bestempeld als fabeltjes of hoogmoed of asociale hebzucht. De boodschap: het streven naar een beter leven is gelukt, nu gaan we de planeet redden.

De groeiambities van weleer maakten plaats voor “duurzame ontwikkeling”. Die term, uit 1987, benadrukt dat economische groei niet ten koste mag gaan van het milieu: de grondstoffen, de atmosfeer, de biodiversiteit, de hele riedel. De aarde is immers begrensd, daarom moet ook de welvaart worden begrensd. Duurzame ontwikkeling was een dorp in Afrika waar vrouwen in de weer gingen met kokosolie en gedroogde bananenschillen om zeepjes te maken voor The Body Shop.

Karl Marx had zo’n aalmoes waarschijnlijk niet herkend als het gebaar van iemand die de wereld wil veranderen. Klein is misschien fijn, volgens het leerstuk van de Westerse milieubeweging, maar niet als je rondom de armoedegrens leeft. Dan is klein niet groot genoeg.

Dankzij het huwelijk van de milieubeweging met de progressieve flank kon het gebeuren dat een pleidooi voor decentrale, kleinschalige opwekking van duurzame energie vooruitstrevend werd. Een zonnepaneel op een stoffige hut of een zonne-oven werken toch ook prima? In de maand van de eerste VN-conferentie over duurzame ontwikkeling in 1992 betoogde Al Gore dat “elektriciteitsnetten niet noodzakelijkerwijs wenselijk zijn” en opperde dat ze wellicht “ongeschikt” waren voor ontwikkelingslanden. Een groter contrast met Roosevelt, zestig jaar eerder, is niet mogelijk. Vlak voor zijn klinkende verkiezingszege zei Roosevelt in een toespraak: “Elektriciteit is niet langer een luxe. Het is een absolute noodzaak.”

Klein is misschien fijn, volgens de Westerse milieubeweging, maar niet als je rondom de armoedegrens leeft

In hun visie voor de toekomst lijken de van kleur verschoten linkse denkers iets te vergeten. Want zodra aandoenlijke projecten voor micro-energie een doel op zich zijn, en niet een opstap naar de elektrificatie van een land, vormen ze geen bedreiging van de gevestigde orde. Sterker, dan dienen ze de belangen van de elite.

De vergroening van links betekende een complete ommekeer binnen de progressieve beweging. Die was tweehonderd jaar eerder ontstaan als kritiek op de gangbare overtuiging dat alle ellende – armoede, honger, ziekte, ongelijkheid – een onafwendbaar lot van de natuur was waar niets aan te doen was. De revolutionairen meenden juist dat die problemen niet natuurlijk, maar sociaal waren. Vandaar de naam, “socialisten”. Ze stonden op tegen de machthebbers. Als we de samenleving anders inrichten, stelden zij, kunnen we oude problemen aanpakken.

Wilden de vroege linkse denkers in hun streven naar lotsverbetering de grillige natuur onttronen en bedwingen, de conservatieven wilden haar beschermen en vereren. Te midden van snelle maatschappelijke veranderingen wilden zij waardering kweken voor traditie, natie en historie. Zij keerden zich tegen de uitbreiding van de verloederende steden en stelden natuurparken in. Natuurbehoud – conservation in het Engels – is in wezen een conservatief streven. Het progressieve streven daarentegen is beheersing van de natuur, opdat we kunnen voorzien in onze behoefte aan ontwikkeling.

De verwisseling van oude idealen voor conservatieve standpunten verliep geruisloos. Dertig jaar na de vermenging van rood met groen mag je jezelf progressief noemen als je de natuur onaantastbaar verklaart en de grenzen van de aarde respecteert. Je steunt biologische landbouw, maant tot terughoudendheid, legt baanbrekende technieken aan banden en wantrouwt de politieke wil van lager opgeleiden.

“Revolutie!”, klonk ooit de klassieke strijdkreet. De nieuwe luidt: “Wees voorzichtig!”

IV

Een beter leven voor iedereen, in vrede en voorspoed, gezondheid en geluk: wie wil dat niet? De Verenigde Naties willen het. Ze bedachten eerst de Millenniumdoelen. Daarna vervingen ze die door Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Zeventien stuks werden het: van het uitroeien van armoede en honger tot het verbeteren van infrastructuur en sanitaire voorzieningen. Deze doelen kunnen niet slagen zonder de levering van de nodige energie. “Toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen in 2030” is – niet verwonderlijk – een doel op zich. Het is doel nummer 7.

De vraag is dan hoeveel energie de VN ziet als voldoende om aan doel 7 te voldoen. Een zoektocht leert dat het gaat om elektriciteit, de vorm van energie die historisch gezien de moderniteit inluidt. Dat gaat goed! Maar: hoevéél is het?

Vast niet zoveel als Nederland verbruikt: zo’n 120 miljard kWh in een jaar. Verspreid over 17 miljoen inwoners is dat 6800 kWh. Het verbruik ligt bij de verspillende Amerikanen aanmerkelijk hoger met hun 12.000 kWh. Zoveel hoeft het natuurlijk niet te zijn.

Ligt de drempel misschien op 4000 kWh per persoon per jaar? Dat zou volgens de maatstaven van de Human Development Index van de VN het minimum zijn voor een leven in welzijn, met voldoende voedsel en een goede gezondheid, onderwijs, drinkwater en riolering. Of is het misschien 3000 kWh? Dat geldt bij de Wereldbank als het hoogste niveau van energietoegang.

Duurzame Ontwikkelingsdoelen kunnen niet slagen zonder de levering van de nodige energie

Om het cijfer nauwkeurig te bepalen, baseren de mensen van de Verenigde Naties zich op de experts van het Internationaal Energieagentschap (IEA), een organisatie van 29 landen, voornamelijk uit het Westen. Zij hebben bepaald wat precies moet worden verstaan onder “universele toegang tot energie”, ofwel de energie waarmee iemand kan voorzien in de “menselijke basisbehoeften”. Hoeveel energie is dat? Het is 500 kWh.

Of nee, wacht, dat is per huishouden. Per persoon per jaar is het 100 kWh.

Althans, als je in de stad woont. In landelijke gebieden moet je toe met de helft.

En voor alle duidelijkheid: in dat cijfer zit dan ook alvast het stroomverbruik van ziekenhuizen, scholen, kantoren, fabrieken…

Hoeveel is 100 kWh per persoon per jaar? Het is flink minder dan wat uw koelkast in een jaar verbruikt. Het is net genoeg om op een dag vijf uur een lampje te laten branden en een mobiele telefoon op te laden. Een gemiddelde Nederlander verbruikt 100 kWh in vijf dagen. Je vraagt je af waarom die ondergrens zo laag is. Als dit energiegebruik voor u niet voldoende is, waarom zou het voldoende zijn voor anderen?

Gelukkig lezen de meeste mensen in arme en opkomende landen die rapporten niet. Het is de verwachting dat zij meer energie zullen verbruiken in de komende decennia – heel wat meer energie, en dan vooral meer elektriciteit. Wereldwijd zal de totale energievraag, dus inclusief warmte en transport, in 2050 zijn verdubbeld. Elektriciteit groeit sneller. In 2018 steeg het mondiale verbruik van elektriciteit met vier procent. Als die groei aanhoudt, is er al vóór 2040 sprake van een verdubbeling. Veruit de meeste groei is in Azië en Afrika.

Wat gaan ze daar doen met die elektriciteit? Er komt een koelkast om eten in te bewaren. Er komt een televisie. Lampen in ieder vertrek. Kinderen zullen ’s avonds in bed lezen. Een computer verschijnt in huis en haalt de wereld binnen. Misschien, hoopt de vrouw, komt er ooit een wasmachine. En ze gaan vermoedelijk, zodra het kan, een airconditioner kopen.

Onderschat de airconditioner niet. Arme landen zijn warme landen, de mensen snakken naar verkoeling. Het IEA schreef in een rapport dat de verkoop van airconditioners in de komende decennia zo zal stijgen, dat er dertig jaar lang iedere seconde tien nieuwe zullen worden verkocht. Alle airconditioners in 2050 hebben 6200 terawattuur stroom nodig. Dat is wat China nu in één jaar verbruikt.

Onze moderne energie – onzichtbaar, reukloos – waarderen we pas als de stroom even uitvalt

In rijke landen gaat de elektrificatie een nieuwe fase in. We gaan volgens het klimaatbeleid elektrisch rijden, elektrisch koken, elektrisch verwarmen. Maken we de wereld nóg duurzamer, dan schakelen we over op kweekvlees en gebruiken we waterstof – processen die veel elektriciteit vereisen. En dan zijn er de jonge, aanstormende sectoren die stroomslurpers zijn: van robotica en biotechnologie tot de datacentra voor internetgiganten. Ging de negentiende eeuw over steenkool en machines, en de twintigste eeuw over olie en motoren, dan gaat de eenentwintigste eeuw over elektronen en bits – over elektriciteit.

De stijgende vraag naar energie wordt niet overal met enthousiasme begroet. Zet er vraagtekens bij en u geeft blijk van progressieve intelligentie. Is al die energie wel echt nodig? Schaden we milieu en klimaat niet nu al te veel? Moet het niet eerst duurzamer? Kan het niet wat zuiniger? Kunnen we niet leren gelukkig te zijn met minder?

In een land als Nederland zijn die vragen niet onbegrijpelijk. Onze moderne energie – onzichtbaar, reukloos – waarderen we pas als de stroom even uitvalt of de boiler kuren vertoont. Sommigen brengen bewust offers voor het milieu. Zij geven hun auto op, houden vakantie in eigen land en doen de afwas met een borstel. Geprezen zijn zij, ook al maakt hun gedrag natuurlijk geen ene zier uit in het grote geheel der dingen. Hoe gaan honderden miljoenen mensen dezelfde keuzes maken zonder enige vorm van dwang?

En: hoe overtuig je de miljarden mensen die hopen dat er op een goede dag een George Norris of een Franklin D. Roosevelt voorbijkomt?

V

Nadat Roosevelt in 1933 de Tennessee Valley Authority oprichtte, begon een moeizaam proces. Stuwdammen en stuwmeren zouden hele stukken land onder water zetten: meer dan vijftienduizend families moesten huis en haard verlaten. Begraafplaatsen werden leeggehaald om de doden elders te begraven. Wie land had, werd uitgekocht en moest verhuizen. Het was een pijnlijke ervaring voor veel mensen – eentje die nog bij volgende generaties verbittering kweekte.

Doorgaans gingen de boeren van een gammele blokhut naar een ruimere woning, voorzien van gas en elektra, in nieuwe dorpen en stadjes. Voor de meesten was het een aanmerkelijke verbetering, voor anderen bleven oude problemen bestaan. Soms kwamen er nieuwe problemen bij, zoals de toestroom van tijdelijke arbeiders en de vanuit Washington opgelegde rassensegregatie.

Het is nu bijna niet voor te stellen, maar er was nauwelijks debat over het tragische lot van deze mensen die afscheid moesten nemen van het land waar hun families generaties lang woonden en werkten. De afweging tussen de gedwongen verhuizing van duizenden families en de levering van goedkope stroom aan miljoenen Amerikanen, was kennelijk snel gemaakt. Volgens de heersende opinie van die tijd golden de betonnen bouwwerken, die het woeste water beteugelden en benutten, als symbolen van technologische bravoure. De levering van elektriciteit was een teken van vooruitgang.

Veertig jaar later beschikte de TVA over een reeks waterkrachtcentrales, plus diverse kolencentrales en gascentrales, en bouwplannen voor zeventien kerncentrales. Maar ineens stokte de expansie. Toen de bouw van weer een nieuwe stuwdam, de Tellico-dam, bijna gereed was, was daar de ontdekking van de percina tanasi, een straalvinnige vissoort uit de familie van de baarzen, niet groter dan een wijsvinger. In 1973 had een bioloog, David Etnier, dit baarsje opgemerkt in een zijrivier van de Tennessee. Etnier redeneerde dat de ingebruikname van de stuwdam het leefgebied van deze baars vernielde: de percina tanasi zou uitsterven. Dat was in strijd met de Endangered Species Act, de wet die later dat jaar werd aangenomen om bedreigde diersoorten te beschermen.

Alleen in een land met voldoende energie en economische ontwikkeling kan het milieu centraal staan

Er volgde een jarenlange controverse die werd uitgevochten tot in het Congres en het Hooggerechtshof. De tegenstanders van de stuwdam wonnen de juridische strijd, maar via een amendement werd de bouw ternauwernood alsnog afgerond. De poorten van de Tellico-dam sloten uiteindelijk in 1979. De percina tanasi was gevangen en uitgezet in andere stroomgebieden, waar ze opklom van bedreigde naar kwetsbare diersoort.

Wat was er gebeurd tussen de jaren dertig, toen de gedwongen verhuizing van vijftienduizend families volkomen acceptabel was bij de productie van elektriciteit, en de jaren zeventig, toen uitbreiding van de energievoorziening werd gezien als een inbreuk op het leven van een straalvinnige vissoort? In één woord: welvaart.

In de tussenliggende decennia hadden alle Amerikanen het een stuk beter gekregen. Iedereen een auto, iedereen een koelkast, iedereen een wasmachine, een televisie, een platenspeler, een broodrooster. Een scheerapparaat voor de man, een stofzuiger voor de vrouw. De werkweek werd korter, het inkomen hoger. Families gingen op vakantie, jongeren gingen studeren, vrouwen kregen steeds meer onafhankelijkheid, zwarten kregen burgerrechten. De droom van Marx, Pankhurst en Lenin was uitgekomen – al verliep de weg ernaartoe anders dan zij hadden bepleit.

Met het uitdijen van de middenklasse ontstond een breder besef van verantwoordelijkheid. Het milieu moest schoner. Met welvaart kregen we dat voor elkaar. Politieke maatregelen zorgden voor een beter milieu en herstel van de schade. Bedrijven gingen schoner en efficiënter produceren. Zo keerde de trend: voor het eerst sinds lange tijd werd het milieu weer schoner.

Illustratief is de huidige website van TVA. In een prominente navigatiebalk op de homepage kun je klikken op, van links naar rechts: “energie”, “milieu” en “economische ontwikkeling”. Alleen in een land met voldoende energie en economische ontwikkeling kan het milieu centraal staan.

VI

Zonder twijfel wordt klimaatverandering de belangrijkste ecologische uitdaging in de 21ste eeuw. Bij inwoners van Westerse democratieën klimt het thema op de prioriteitenlijst, in ontwikkelingslanden bungelt het onderaan op die lijst. Maar onderaan of bovenaan, het is bedenkelijk dat de aanpak van zo’n omvangrijke uitdaging als klimaatverandering vooral steunt op de wensen van de eerste groene denkers uit de jaren zestig: energiebesparing én een transitie naar hernieuwbare energie. Dit zijn de twee pijlers van het klimaatbeleid in 175 landen – en ze zullen energie onbetrouwbaar en duur maken.

Ga maar na. Zelfs wanneer zonnepanelen in een verlaten woestijn en windmolens langs de waaierige kustlijn veel stroom kunnen leveren aan het elektriciteitsnet, dan nog blijven ze afhankelijk van het weer. Zolang ze niet op afroep stroom leveren, moeten grote elektriciteitscentrales (bijvoorbeeld op biomassa, aardgas of steenkool) inspringen op de dagen en weken zonder zon of wind.

Ook schroeft het klimaatbeleid de prijs van energie op. Denk aan de handel in CO2-emissies of de subsidies die de installatie van windmolens en zonnepanelen moeten aanmoedigen en hun gebreken moeten compenseren. Een belasting op CO2 zal hetzelfde effect hebben. Het gebeurt buiten onze portemonnee om, maar uiteindelijk zijn wij het die ervoor betalen. Wie minder inkomen heeft, is relatief meer geld kwijt aan energie. Nergens in Europa is de energierekening zo hoog als in Duitsland en Denemarken, landen die bekendstaan als klimaatkoplopers.

De twee pijlers van het klimaatbeleid zullen energie onbetrouwbaar en duur maken

Van alle energie die de wereld verbruikt, komt niet meer dan anderhalve procent uit zon en wind. Ruim dertig jaar nadat klimaatverandering werd aangemerkt als een serieus probleem en overheden steeds meer subsidies beschikbaar stelden voor hernieuwbare bronnen is anderhalve procent niet erg indrukwekkend. Dat aandeel gaat ongetwijfeld stijgen, maar de snelle groei in de duurzame sector kan amper de stijgende vraag naar energie bijbenen. Andere bronnen zijn namelijk óók populair.

Zoals steenkool, met afstand de meest gebruikte brandstof voor stroom. Steenkool kost maar een schijntje. Heel veel landen hebben kolen in de grond liggen, en dan ook nog eens heel veel kolen: dat voorkomt dat de prijs kwetsbaar is, zoals bij olie. Er is zoveel ervaring met kolencentrales, dat het technologisch en financieel een peulenschil is om er een te bouwen. Dat gebeurt volop.

Of aardgas. Aardgas stoot de helft minder CO2 uit dan steenkool, en ook minder andere stoffen die de lucht vervuilen. Dat is een voordeel. Je kunt gas gebruiken voor van alles en nog wat: elektriciteit, transport, warmte en koken, maar ook in de productie van kunstmest, staal, cement en plastic. Met grote, recente gasvondsten in Afrika en de Verenigde Staten kunnen we nog tientallen jaren vooruit.

Of kernenergie. Kerncentrales leveren constante CO2-vrije energie, zonder luchtvervuiling. Wel kost de bouw veel geld, veel tijd en veel specialistische kennis. Toch wijzen studies uit dat kernenergie het best in staat om te voorzien in een snel groeiende energievraag op een snel opwarmende planeet. Met name Rusland bouwt kerncentrales in andere landen.

Het wordt de ontwikkelingslanden niet gemakkelijk gemaakt. Onder druk van actiegroepen besloot de Wereldbank geen financiële hulp meer te verstrekken aan projecten met steenkool. Bij waterkrachtcentrales ligt dat intussen buitengemeen lastig, want die zouden zomaar ecosystemen verstoren. En met een plan voor een kerncentrale hoef je ook niet aan te kloppen. De Wereldbank – missie: to end extreme poverty – maakt zich bij energiezaken eigenlijk nog enkel sterk voor zonnepanelen en windmolens.

Wij mogen in Nederland graag discussiëren over welke bronnen – in de woorden van Al Gore – “gepast” zijn, maar laten we wel zijn: ieder land zal zijn eigen keuzes maken. De beleidsmakers hebben heel praktische overwegingen voor hun voorkeuren. Iets onveranderlijks als de ligging van een land kan soms bepalend zijn. Azië heeft veel steenkool, Afrika is juist rijk aan gas en heeft veel potentie voor waterkracht en geothermie. Andere keren wordt gekozen voor de goedkoopste optie en natuurlijk spelen dubieuze zakelijke belangen soms een rol.

Wie leeft in armoede, wordt beperkt in zijn ontwikkeling. Energie bevrijdt hem van de ketenen van de natuur

Bij ons vallen zulke keuzes onder klimaatbeleid, in de meeste andere landen onder economisch beleid. De keuze voor de gepaste energiebronnen zullen hier en daar worden ingegeven door zorgen over CO2-uitstoot, maar meestal niet. Roger Pielke Jr., auteur vanThe climate fix, stelde eens vast dat politici, en mensen in het algemeen, best bereid zijn het klimaat te sparen, maar dat die bereidheid haar grenzen heeft, bijvoorbeeld wanneer het al te veel botst met economische groei. Pielkes “ijzeren wet van klimaatbeleid” is het meest zichtbaar in ontwikkelingslanden.

De geringe bereidheid om klimaatverandering af te remmen, mogen we jammer vinden, maar: is dat nu werkelijk zo’n kwalijk standpunt? Wie leeft in armoede, wordt beperkt in zijn ontwikkeling en kan niet tot volle bloei komen. Energie bevrijdt hem van de ketenen van de natuur. Een politicus die zich dit lot aantrekt en deze ontworsteling mogelijk maakt, luistert naar de stem van menselijke waardigheid.

Vergelijk de opvattingen van Al Gore, twijfelend aan het nut van elektriciteitsnetten, met die van Lyndon B. Johnson. Voordat hij in 1963 namens de Democratische Partij aantrad als president van het Amerikaanse volk – hij wél – blikte Johnson terug op zijn politieke carrière. Hij was het meest trots, zei hij, op zijn bijdrage aan de aanleg van een waterkrachtcentrale in zijn geboortestreek in Texas. “Nieuwe horizonten openden zich voor jonge geesten door niets meer dan de komst van elektriciteit in hun huis”, zei Johnson. “Mannen en vrouwen bevrijdden zich van het gesleur en gezwoeg (…). Dit is de werkelijke vervulling van de verantwoordelijkheid van de overheid.”

Vooruitgang begint bij energie.

Marco Visscher schrijft en spreekt over de energietransitie en het klimaatbeleid. Dit is een hoofdstuk uit het boek Meer: Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt, met verder bijdragen van onder meer Ralf Bodelier, Hidde Boersma, Joost van Kasteren en Mirjam Vossen.

 Beeld Lezen bij kaarslicht in Ghana

 

Hoe media zorgen voor framing van kernenergie

Een analyse van honderden artikelen over kernenergie laat zien dat tweederde van deze berichten in Nederlandse kranten een negatieve toon had. Deze artikelen benadrukten de veiligheid en risico’s van kerncentrales en falend beleid en bestuur. In opiniestukken en ingezonden brieven was juist aanmerkelijk meer sprake van een positieve toonzetting.

De studie werd uitgevoerd door mediaonderzoeker Mirjam Vossen en onlangs gepubliceerd in Journalism Studies. Het verschil in de toonzetting tussen de redactionele artikelen en de opiniërende bijdragen van experts en lezers reflecteren volgens Vossen een veranderende houding in de maatschappij die op de redacties nog geen weerslag hebben gevonden.

Voor haar studie hanteerde Vossen een aantal “frames” die ook in eerdere, vergelijkbare mediastudies zijn gebruikt. Zo zijn er de frames van een op hol geslagen technologie en van politici die hun verantwoordelijkheden ontduiken. Maar er is ook het nieuwe, ecomodernistische frame waarin kernenergie wordt gezien als een deel van de oplossing om klimaatverandering tegen te gaan. Dit frame kwam sterk naar voren bij de aandacht voor de invloedrijke uitzending van Lubach op zondag, waarin mythes over kernenergie werden doorgeprikt. Vossen, die 554 artikelen uit 2018 raadpleegde, promoveerde eerder op de framing van wereldwijde armoede.

Het valt Vossen op dat journalisten blijven grijpen naar welbekende frames als zij over kernenergie berichten. Ze constateert dat incidenten zonder veiligheidsrisico’s soms buitensporige aandacht krijgen. Het kan zijn dat “nieuwsroutines” een belangrijke rol spelen: journalisten hebben nu eenmaal om begrijpelijke redenen een antenne voor risico’s en gevaren. Daarmee appeleren ze aan een onderliggend, verontrustend verhaal over ontspoorde nuclaire technologie, dat nog altijd diep in het collectieve geheugen zit – ook in dat van journalisten.

Lees hier een zeer leesbare samenvatting van het onderzoek door Mirjam Vossen.

KIEZEN VOOR VEEL ZON EN WIND, IS DAT KIEZEN TEGEN KERNENERGIE?

Een gastbijdrage van Gijs Zwartsenberg:

 

Wellicht het belangrijkste artikel over de richting van de Nederlandse energietransitie is het artikel dat Pieter Boot augustus vorig jaar publiceerde op Energiepodium. Hij betoogt hierin dat de Nederlandse keuze voor zon+wind+aardgas tegelijkertijd een keuze tegen kernenergie is. Maar klopt dat wel? Het onderzoek van de Amerikaanse Jesse Jenkins leidt tot heel andere conclusies.

In zijn systeemanalyses laat Jenkins zien dat een eenvoudige prijsvergelijking van goedkope bronnen gebaseerd is op een foutief denkmodel. Hij trekt de vergelijking met een situatie waarin je zou vaststellen dat een banaan vijftig cent kost en een hamburger vijf euro, en je dan zou besluiten voortaan alleen bananen te eten. Daarbij vergetend dat het lichaam ook voedingsstoffen nodig heeft waarin bananen niet voorzien, hoe goedkoop ze ook zijn.

Met dit artikel (download versie) wil ik laten zien hoe de systeemanalyses van Jenkins in elkaar zitten. Met een uitdrukkelijk oproep: bekwaam je eerst in dit soort systeemanalyses voordat je kernenergie uitsluit.

20200516-Kiezen-voor-zon-en-wind-is-dat-kiezen-tegen-nucleair

 

Boekrecensie – Een schone toekomst

Boekrecensie – Een schone toekomst

In het onlangs verschenen boek Een schone toekomst, van Joshua Goldstein & Staffan Qvist – stellen de auteurs dat we niet zonder kernenergie kunnen, willen we op tijd het CO2 probleem oplossen.
Het boek telt 220 bladzijden, leest als een trein en is een aanrader voor iedereen die meer inzicht wil in de feiten achter kernenergie.
Lees hier de boekrecensie.

 

Interview met James Lovelock

Interview met James Lovelock

In de milieubeweging geldt hij als een even vooraanstaande als omstreden figuur. Hij weet zich omringd door wetenschappelijke prijzen, maar ook door bakken vol kritiek en hoon. En nu laat James Lovelock, 100 jaar, opnieuw van zich horen, met een boek dat nu naar het Nederlands vertaald is.

Fotografie David Stock/HH

Zijn beslissing in 2012 om met zijn vrouw te verhuizen naar een oud kustwachthuis in het zuiden van Engeland markeerde zijn pensioen als wetenschapper en uitvinder. Alle apparatuur en notitieblokken uit zijn laboratorium verkocht hij aan het Science Museum in Londen, een van ’s werelds grootste wetenschapsmusea, dat de aankoop meteen vierde met een aan hem gewijde expositie.

Maar, zo zal iedereen zich hebben afgevraagd die zijn werk kent: waarom ging James Lovelock nu uitgerekend aan het strand wonen? Was dat niet een beetje roekeloos?

Immers, niet lang geleden waarschuwde de invloedrijke milieugoeroe nog dat de zeespiegel wel drie keer sneller stijgt dan de klimaatmodellen voorspellen. Hij had iedereen geadviseerd om maar vast uit te kijken naar onroerend goed in Scandinavië of het noorden van Canada.

En dat wassende water was nog maar het begin. Klimaatverandering, zo betoogde Lovelock, zal deze eeuw een einde maken aan het meeste leven op aarde, inclusief dat van vele miljarden mensen. De mondiale opwarming was, zo schreef hij, een manier van Gaia, onze levende planeet, om zich te verlossen van de mensheid.

Klik hier om verder te lezen

Essay Hidde Boersma over duurzaamheid

Essay Hidde Boersma over duurzaamheid

Juist door ver te reizen help je de wereld

Nu vliegen bereikbaar wordt voor alle lagen van de bevolking, zet de bovenklasse zich er onder het mom van duurzaamheid tegen af. Terwijl verre reizen empathie wekken voor andere culturen en een medicijn zijn tegen etnocentrisme, betoogt Hidde Boersma.

Er stond afgelopen week een opvallende reclame in de Volkskrant. Koning Aap, een reisbureau voor verre reizen, begon zijn advertentie met: ‘Natuurlijk, gewoon thuis blijven is het beste voor de planeet.’ Dat zelfs reclame-uitingen met een verontschuldiging beginnen, geeft wel aan hoezeer de schaamte om te vliegen zich in korte tijd tijd in onze hoofd heeft genesteld. In 2018 was de term vliegschaamte zelfs genomineerd voor ‘woord van het jaar’ en in Zweden, waar dat woord voor het eerst opdook, daalt het aantal vluchten al daadwerkelijk.

Vliegschaamte past in de trend waar minder duurzame activiteiten worden gekoppeld aan schuld: vleesschaamte, baarschaamte, cappuccinoschaamte en nieuw deze week: betonschaamte.

Het is ontegenzeggelijk waar dat vliegen vervuilt: het is op dit moment verantwoordelijk voor ongeveer 3 procent van de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen, maar projecties van klimaatpanel IPCC gaan uit van tussen de 5 en 15 procent bij ongewijzigd beleid.

De stijging komt voor een belangrijk deel op het conto van inwoners van ontwikkelingslanden, voor wie vliegen eindelijk betaalbaar wordt. In 2017 hing een schamele 3 procent van de wereldbevolking in de lucht, de overige 97 procent kan niet wachten om te volgen. Vooral het aantal vakantievluchten neemt toe: nog maar een kwart van de vliegbewegingen is voor zaken. En dus roepen politici, wetenschappers en activisten op minder te vliegen en vaker te kiezen voor een vakantie dicht bij huis.

Klik hier om verder te lezen

Ook KNMI positiever over kernenergie

Ook KNMI positiever over kernenergie

Technisch gezien kan de kerncentrale in Borssele best langer openblijven dan de huidige sluitingsdatum van eind december 2033. Dat meent nucleair deskundige André Versteegh, die eerder deel uitmaakte van een commissie om de veiligheid van Borssele te beoordelen. Openhouden past bovendien in de groeiende steun voor kernenergie als klimaatoplossing.

Door: Edwin Timmer
Op: www.telegraaf.nl

Het oprekken van de gebruikstermijn van kerncentrales gebeurt in meer landen. „In de Verenigde Staten draaien ongeveer honderd centrales. Die gaan vrijwel allemaal van een bedrijfsduur van zestig naar tachtig jaar. Dan moet je uiteraard kijken of er aanpassingen nodig zijn, maar technisch is het best mogelijk”, aldus de nucleair expert.

Borssele

Versteegh reageert hiermee op de oproep van KNMI-directeur Gerard van der Steenhoven vrijdag in het Financieele Dagblad. „Gezien de enorme (klimaat-)problematiek zou ik het niet gek vinden om nog een tijd door te gaan met de kerncentrales die we in Europa hebben. Dus ook Borssele in Nederland”, zegt de weerbaas. Het is voor het eerst dat het meteorologisch instituut zich in het debat over kernenergie mengt.

Het argument dat kernenergie onmisbaar is voor een klimaatneutrale energievoorziening (dus stroom opgewekt zonder broeikasgasuitstoot) klinkt steeds vaker. En het zorgt ervoor, aldus deskundigen zoals Versteegh, dat atoomstroom na moeilijke jaren weer de wind in de rug krijgt. Het imago van de sector lijkt het Japanse kernongeluk van Fukushima langzamerhand te boven.

„Mensen zijn niet gek”, beaamt voorzitter Olguita Oudendijk van de stichting Ecomodernisme. „Ze schrikken als ze horen dat het aandeel wind en zon in ons land nog geen 5 procent is. En wereldwijd nog geen 2 procent. Dan dringt wel door dat, als we de fossiele bronnen achter ons willen laten, we het zonder kernenergie gewoonweg niet gaan redden.”

Klik hier om verder te lezen.

Een Ecomodern alternatief voor de Biomassacentrale bij Diemen

Een Ecomodern alternatief voor de Biomassacentrale bij Diemen

Medio vorig jaar lijkt het te zijn begonnen: het voorspelbare protest tegen de biomassacentrales die dankzij miljardensubsidies overal in het land verrijzen als duurzaam alternatief voor de bestaande fossiele warmtecentrales.

Dergelijke centrales worden gebruikt als warmtebronnen voor de warmtenetten (netwerken van ondergrondse heetwaterleidingen) die met name in- en om steden gebruikt worden om woningen en utiliteitsgebouwen te voorzien van warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater. Hoewel de toepassing van biomassa in theorie duurzaam kan zijn (met de nodige kanttekeningen, zie verderop) is het protest tegen deze vorm van duurzame energie niet ongegrond.

In dit artikel gaan we op deze kwestie in door de geplande nieuwe biomassacentrale bij Diemen onder de loep te nemen en bieden we een mogelijk “Ecomoderne” oplossing voor de ontstane onvrede.

Door: ir. J.E. van Dorp
Op: www.ecomodernisme.nl

Wat is het probleem?

Welnu, net als de elektriciteitssector willen we met zijn allen dat ook de warmtesector overschakelt van fossiele energie op duurzame energie. Ook – of misschien wel bovendien – willen we dat dat op een betaalbare manier gebeurt en zonder dat we hoeven in te leveren op comfort en gebruiksgemak: we willen altijd over warmte kunnen beschikken, dag en nacht, weer of geen weer.

Om die omschakeling mogelijk te maken zijn er gedurende de afgelopen halve eeuw allerlei nieuwe technologieën ontwikkeld waaronder warmtepompen, geothermie, zonnecentrales en energie uit oppervlaktewater. Hoewel deze technologieën volwassen zijn en al decennia op kleine schaal met succes worden toegepast lukt het nog geen van hen om op kosten en gemak te wedijveren met fossiele energie.

Zelfs als we onze woningen en gebouwen zoveel mogelijk inpakken tegen de kou, met spouwisolatie, isolerende beglazing en kierdichting, en we onze douches uitvoeren met besparende koppen hebben we nog altijd veel warmte nodig waar we flink voor betalen. We blijven daarom op zoek naar de goedkoopste aanbieders van stroom en gas, en als we aangesloten zijn op een warmtenet klagen we graag over de tarieven en aansluitkosten.

Het wordt de aanbieders van stadswarmte door onze hoge verwachtingen alles behalve makkelijk gemaakt om over te stappen op duurzame warmte, wat immers meestal meer kost en minder flexibel is dan conventionele fossiele warmte.

In studies die de leveranciers laten uitvoeren naar de meest kosteneffectieve groene opties voor stadsverwarming komt daarom steevast een oude bekende als beste uit de bus: biomassa.

Prehistorische technologie

Het gebruik van biomassa is praktisch zo oud als de mensheid want biomassa is simpel, goedkoop en voorradig. Biomassa groeit letterlijk ‘aan de bomen’ dus het telt als een 100% hernieuwbare energiebron: een energiebron die nooit opraakt. Het grote nadeel van biomassa is echter nog steeds dat de productie van biomassa veel landoppervlak vergt. Het duurt lang voordat een plant of boom die is gerooid en gebruikt als brandstof weer terug groeit, en voor men het weet verdwijnen hele bossen uit het landschap, zoals ook echt gebeurde in Europa voor de ontdekking van fossiele energie! Ter vergelijking: waar een zonnepark gemiddeld over een jaar 10 Watt per vierkante meter horizontaal oppervlak kan leveren, levert een bos hooguit 0,5 Watt per vierkante meter, oftewel ruim 20 keer minder!

Bij de huidige poging van “groene” regeringen om vanaf fossiele energie weer terug over te stappen op biomassa wordt gelukkig nauwelijks Europees bos ingezet: wijselijk importeren we onze biomassa vooral uit dunbevolkte regio’s in het buitenland, waar zoveel bos is dat het rooien niet opvalt en het verdwenen bos – zo is uiteraard de bedoeling – uiteindelijk weer kan terug groeien.

houtkap
Foto: Vermeer NorthEast

Zelfs als die productiebossen inderdaad duurzaam beheerd worden blijft het een gekke gedachte: het aan de ene kant van de wereld “duurzaam” rooien van bossen voor onze warme douche terwijl klimaatwetenschappers juist aangeven dat het áánplanten van bossen nodig is om de almaar toenemende CO2 concentratie te remmen! Op papier kan het allemaal wel, maar is het ook de beste manier?

Naast serieuze bezwaren van wetenschappers over de feitelijke duurzaamheid van het grootschalige gebruik van biomassa voor laagwaardige energietoepassingen gaat de verbranding van biomassa gepaard met schadelijke emissies in de vorm van NOx en fijnstof die bijdragen aan luchtvervuiling, hoewel de geplande biomassacentrale bij Diemen volgens energieleverancier Vattenfall zal worden gevoed met gecertificeerd duurzame biomassa en zal voldoen aan strenge eisen voor de luchtkwaliteit.

Terzijde: Dat buitenland waar de Westerse wereld zijn groene brandstoffen vandaan haalt wordt door de bekende Amerikaanse milieufilosoof Stewart Brand wel gekscherend “Renewistan” genoemd, vrij vertaald zoiets als “Hernieuwbaristan”.

Is er echt geen alternatief?

De eerder genoemde studies waaruit blijkt dat biomassa voorlopig de beste – of in iedere geval minst slechte – optie is voor de verduurzaming van onze warmtenetten werden geschreven door adviesbureaus die zich nadrukkelijk toewijden aan de overstap op groene energie. Het palet aan technologieën waaruit zij selecteren en vergelijken is daarom beperkt tot uitsluitend fossiele of groene opties.

U voelt hem al aankomen: zij sluiten alle technologieën waarbij gebruik gemaakt wordt van kernenergie categorisch en onbesproken uit. Dat klinkt misschien gek maar het is logisch, want wanneer kernenergie wordt toegevoegd aan het palet aan mogelijkheden dan komt het – in een eerlijke vergelijking – vrijwel altijd ook meteen als beste optie uit de bus, en dat zou niet stroken met
de missie van deze adviesbureaus en niet met de marketingstrategie of politieke kleur van de bedrijven en overheden die doelbewust deze adviesbureaus inzetten.

Ecomodernisten geloven echter niet dat het verstandig is om technologieën met een bewezen staat van dienst en een groot potentieel om ideologische redenen uit te sluiten tijdens zoektochten naar oplossingen voor de grootste en meest hardnekkige en dringende bedreigingen voor onze gezondheid, welvaart en milieu. Daarom kijken wij welbewust niet alleen naar fossiele en groene energie, maar ook naar kernenergie.

Kernenergie als (stads)warmtebron

Het gebruik van kernenergie voor (stads)verwarming vindt al decennia plaats in veel landen binnen en buiten Europa. Met name in koude, noordelijke regio’s of regio’s waar men graag ziet dat de bossen oud en biodivers zijn, worden verschillende soorten grote en kleine nucleaire ketels ingezet voor de levering van stroom en warmte, of alleen warmte. Ook in Zwitserland bijvoorbeeld zijn verschillende nucleaire stadswarmteprojecten gerealiseerd, en de kosten zijn lager dan bij gebruik van aardgas, zelfs zonder CO2 beprijzing. Het ligt volgens Ecomodernisten dus voor de hand om goed te bekijken welke rol kernenergie voor de Nederlandse warmtevoorziening zou kunnen spelen, en of dat niet voordeliger zou zijn dan het terugvallen op biomassa.

Zonder hier al te diep op de technische, milieuhygiënische en economische details in te willen gaan zullen we op hoofdlijnen de mogelijkheden van kernenergie als duurzame stadswarmtebron nalopen.

Allereerst dienen we te beseffen dat het transporteren van warmte over lange afstanden kostbaar is – veel kostbaarder dan het transport van gassen of elektriciteit. Dat het aanleggen van warmtetransportleidingen inderdaad complex en risicovol is leren we uit de voortdurend falende plannen van vergroenende overheden om per se zonder kernenergie tot een fossielvrije warmtevoorziening te komen.

Duurzame warmtecentrales moeten bij voorkeur zo dicht mogelijk bij – of zelfs in – de warmte vragende gebieden kunnen worden gebouwd. Daarom zijn er een aantal belangrijke technologische verschillen tussen de bekende kerncentrales bedoeld voor elektriciteitsopwekking (krachtcentrales) en de speciale kerncentrales bedoeld voor warmtelevering (warmtecentrales).

Ten eerste moet een nucleaire warmtecentrale zo ontworpen zijn dat er bij een mogelijke storing of calamiteit in het ergste geval niet zoveel radioactiviteit vrij kan komen dat het verstandig zou zijn om de omgeving van de centrale uit voorzorg – laat staan voor langere tijd – te ontruimen. Ten tweede is het vermogen dat een warmtecentrale moet kunnen leveren meestal veel lager dan dat van een typische krachtcentrale. Ten slotte moet de centrale technisch eenvoudig en (dus) goedkoop zijn, met name omdat de warmtevraag in een land als Nederland erg seizoensafhankelijk is, en ook gedurende de dag sterk schommelt, waardoor de warmtecentrale relatief weinig op vollast zal draaien.

Het zal de lezer wellicht verrassen, maar het soort kerncentrale zoals hierboven omschreven is in Nederland al ruim een halve eeuw in gebruik, namelijk op de campus van de TU Delft.

De zwembadreactor

De Hoger Onderwijs Reactor (HOR) in Delft werd in de jaren ’50 gebouwd voor (omgerekend naar nu) ongeveer 30 miljoen euro en levert een zeer klein vermogen van 3 MW – ongeveer evenveel als 300 CV ketels. De HOR is een zogenaamde bassinreactor – ook wel zwembad- of poelreactor genoemd. De belangrijkste verschillen tussen een poelreactor en de reactor van een krachtcentrale is dat het water in de poel niet onder druk gehouden wordt maar gewoon in open verbinding staat met de omgeving, net als een zwembad. In principe zou je ook echt kunnen zwemmen in het water boven de reactor, maar dat is verboden in verband met de ordebewaking en het schoon houden van het water.

Het water in de reactorpoel wordt uiteraard warm door de kernreactie, en die warmte wordt afgevoerd door middel van buiten opgestelde convectoren. De hoeveelheid water in de reactorpoel is zo groot gekozen dat het weken zou duren voordat het water zou zijn verdampt, in geval de koeling uit zou vallen en er niemand zou zorgen voor het op peil houden van het waterniveau. Zolang er water in de poel zit kan de reactorkern niet droogkoken en (dus) niet smelten, waardoor er ook geen radioactief materiaal uit de brandstof kan lekken. Na een paar weken is de na-warmte van de kern (de warmte die ook na het stoppen van een kernreactie blijft vrijkomen) van de kern zo ver afgenomen dat de brandstof ook zonder bedekt te zijn door water koel genoeg blijft om niet te smelten. Deze combinatie van maatregelen om de brandstof van een reactorkern te beschermen tegen oververhitting wordt beschouwd als “inherent veilig” oftewel zo secuur dat de reactor niet voortdurend bemand hoeft te zijn en er geen bijzondere voorbereidingen getroffen hoeven te worden voor de eventuele ontruiming van de omgeving.

Die 3 MW van de HOR in Delft zou interessant kunnen zijn voor de verwarming van een dorp of industrieterrein, en er is wel eens gesproken om hem met behulp van een warmtepomp te koppelen aan het aardgasgestookte warmtenet van de TU Delft campus (vooral als demonstratieproject), maar om de geplande biomassacentrale bij Diemen te vervangen is veel meer vermogen nodig dan die 3 MW.

De geplande centrale bij Diemen heeft een vermogen van 120 MW – veertig keer zoveel als de kernreactor in Delft – en het hele Diemen warmtenet heeft een piekbelasting van ruim 500 MW.

35.000 Megawatt

De vraag is hoeveel vermogen een poelreactor eventueel zou kunnen opwekken? De hoogste vermogens ooit opgewekt in een poelreactor zijn voor wetenschappelijke onderzoek. De ACRR poelreactor van het Sandia National Laboratory bijvoorbeeld kan de ontzaglijke hoeveelheid van 35000 MW leveren (vijfendertigduizend MW). Dat vermogen is gelijk aan het vermogen van tien grote krachtcentrales, en genoeg om ruim een miljoen woningen van warmte te voorzien, maar dit enorme vermogen wordt in de ACRR maar kortdurend afgegeven – in een puls – omdat zoveel warmte niet kan worden afgevoerd. Wel mag duidelijk zijn dat het potentiele vermogen van een poelreactor in principe alleen begrensd wordt door de snelheid waarmee we de warmte kunnen afvoeren.

Praktische warmtecentrales op basis van kernenergie worden momenteel met name in China ontwikkeld, waar men kernenergie beschouwt als goedkope manier om van de huidige kolengestookte warmtecentrales af te komen. Een overstap op aardgas (zoals wij in Nederland deden in de jaren ’60) ligt in China minder voor de hand omdat aardgas (laat staan biomassa) veel duurder is dan steenkool. De moderne nucleaire warmtecentrales die de Chinezen ontwikkelen zijn daarentegen wél in staat om met aardgas te concurreren. Er zijn momenteel drie verschillende commerciële nucleaire warmtecentrales in verschillende staten van implementatie in China: een grote poelreactor van 400 MW (de DHR-400 “Yanlong”), een kleinere hybride reactor (een vat-inpoel-reactor, de NHR200-II) van 200MW, en een 200MW poelreactor met de opvallende naam “Happy200”.

kernreactor-china
Foto CNNC

Nucleaire warmte voor het Diemen net?

De investeringskosten van de Chinese warmtecentrales worden geraamd op ongeveer €500 per kW. Dat is (omgerekend naar vermogen) bijna tien keer zoveel als de investeringskosten van een aardgasketel. Maar de warmtecentrale heeft een ontwerplevensduur van minimaal 60 jaar tegen slechts 15 jaar voor de aardgasketel, en de nucleaire brandstofkosten van de centrale zijn veel lager dan de aardgaskosten van een aardgasketel.

Ook in vergelijking met de biomassacentrale komt de nucleaire warmtecentrale gunstig uit. De economische kentallen van een 400 MW poelreactor en een biomassacentrale zijn hieronder naast elkaar getabelleerd, en de nucleaire optie blijkt 35% goedkoper dan een biomassacentrale per eenheid geleverde warmte, zelfs als de poelreactor niet alleen de basislast maar ook de pieklast zou moeten bedienen!

Het zwaartepunt van de kosten van de poelreactor ligt daarbij overwegend bij de vaste onderhoudskosten (de personeelskosten van de centrale) en het rendement op de investering (dividenden en rentebetalingen), terwijl de kosten van de biomassacentrale overwegend bij de brandstofkosten liggen (het aanplanten, kappen, verwerken, transporteren en importeren van hout).

Conclusie en aanbeveling

Het is jammer dat de gemeente Amsterdam en energieleverancier Vattenfall de mogelijkheden van kernenergie niet tijdig hebben meegenomen bij de analyse en besluitvorming die heeft geleid tot de keuze om van fossiel over te stappen op gesubsidieerde biomassa. Een overstap op kernenergie zou Amsterdammers veel geld kunnen schelen, zou voor meer en betere werkgelegenheid kunnen zorgen, zou veel emissies van stikstof en fijnstof kunnen voorkomen, en zou voor een complete duurzame oplossing voor het Diemen-net kunnen zorgen, zonder afhankelijkheid van de ontwikkeling van technologieën die nu nog te duur zijn of niet beschikbaar zijn.

Het zou goed zijn voor politici die zich willen inzetten voor mens en milieu om te (laten) onderzoeken waarom de toepassing van kernenergie werd uitgesloten in het voortraject van de biomassacentrale bij Diemen, en hoe ervoor gezorgd kan worden dat dit niet nogmaals gebeurt. Ook voor de overige geplande biomassacentraleprojecten in Nederland zou het goed zijn om dit te onderzoeken.

De Chinese warmtecentraleontwerpen genoemd in dit artikel bevatten geen nieuwe technologie die niet ook al in Nederland bekend is, en zou ook door Nederlandse bedrijven kunnen worden geïmplementeerd (zonder patentschending). In dit artikel hebben we de Chinese centrales alleen gebruikt als voorbeeld.

Bijlage: Tabel met economische kentallen voor de vergelijking van biomassa en nucleair.

tabel

Tabel 1: Tabellarisch overzicht van de economische kenmerken van een biomassacentrale en nucleaire centrale

 

Joris van Dorp, raadgevend ingenieur en bestuurslid van Stichting Ecomodernisme, is werkzaam als adviseur installatietechniek voor duurzaam bouwen en gebiedsontwikkeling. Hij helpt overheden en marktpartijen met het ontwerpen en realiseren van een aantrekkelijke en energie-efficiënte gebouwde omgeving.