nieuwsuur hidde boersma

Klimaat als politieke splijtzwam

In de uitzending van Nieuwsuur van dinsdag 21 januari 2020 werd aandacht besteed aan hoe het draagvlak voor de energietransitie in met name de lagere klassen steeds meer dreigt weg te vallen.

Ook wetenschapsjournalist en ecomodernist Hidde Boersma komt in de uitzending aan het woord. Hij publiceert dit jaar het boek ‘Meer’, waarin hij pleit voor minder strenge eisen en meer positieve maatregelen, en aandacht voor andere meningen.

Volgens Hidde ligt de focus in de politiek nu teveel op het ‘hoe’ van de energietransitie. Hoe kan de CO2-uitstoot verlaagd worden, welke technieken zijn daarvoor het beste? Er is veel minder aandacht voor wat dit voor effect heeft op bijvoorbeeld de energieprijs en de kosten voor de burger. Het zijn met name de hogere klassen die pleiten voor dergelijke klimaatmaatregelen, omdat zij ook best wat kunnen missen. Het pleidooi voor soberder leven, minder vliegen, minder vlees eten en hogere kosten heeft echter weinig aansluiting bij lagere klassen, die al weinig hebben. Zij keren zich hierdoor af van het linkse klimaatverhaal.

Bekijk hier de hele aflevering op NPOStart.nl (item vanaf 19:45).

Energietransitie gaat ten koste van de biodiversiteit

Energietransitie gaat ten koste van de biodiversiteit

De biodiversiteit heeft flink te lijden onder de energietransitie. Kunnen we klimaat en flora en fauna niet tegelijkertijd helpen, vraagt wetenschapsjournalist Hidde Boersma zich af.

Door: Hidde Boersma
Op: www.vn.nl

Het begon met een tweet van weerman en klimaatexpert Gerrit Hiemstra: zou het niet een goed idee zijn om bomen en takken te begraven, vroeg hij zich af, om het CO2 dat de boom heeft opgenomen op te slaan en zo klimaatverandering tegen te gaan? Het lokte een reactie uit van Patrick Jansen, bioloog en onderzoeker aan Wageningen University & Research (WUR). Hij vond het maar niks. Stervend hout is cruciaal voor het bos. Aan de dode takken doen zich allerlei bacteriën en schimmels tegoed die weer de basis vormen van andere leven in het bos. Het is letterlijk van levensbelang voor de biodiversiteit van het ecosysteem.

Het is een opvallend meningsverschil, want Jansen en Hiemstra zijn twee zeer uitgesproken stemmen op de sociale media, die zich beiden ernstige zorgen maken over de invloed van de mens op de staat van de planeet. Ze hebben het regelmatig aan de stok met dezelfde opponenten, vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum, die beweren dat ze te alarmistisch zijn.

Afzonderlijke milieuproblemen

Dat ze nu toch clashen, komt doordat beide wetenschappers zich richten op twee afzonderlijke milieuproblemen: Jansen maakt zich als ecoloog vooral druk om de dalende biodiversiteit. Niet onterecht: de beroemde bioloog Paul Ehrlich van de Amerikaanse Stanford University berekende in 2017 in het tijdschrift PNAS dat er op dit moment 50 procent minder dieren rondlopen dan een paar eeuwen geleden. Wetenschappers stellen dat we leven in de zesde grote uitstervingsgolf: de laatste was het uitsterven van de dinosauriërs door een meteoriet 66 miljoen jaar geleden. Nu zijn de belangrijkste oorzaken het verdwijnen en fragmenteren van het leefgebied van wild, vooral door uitbreiding van de landbouw.

Hiemstra maakt zich meer zorgen om het klimaat. Dat is minstens zo terecht: nu al is de wereld ruim 1 graad warmer dan in de pre-industriële tijd, toen we kolen, olie en gas begonnen te verbranden. Zonder ingrijpen gaan we naar drie of meer graden opwarming, met funeste gevolgen voor de leefbaarheid van de planeet: landbouw wordt lastiger op veel plekken, er zal meer extreem weer zijn, en steden rond de evenaar zullen te warm zijn om comfortabel te leven en werken.

Klik hier om verder te lezen.

Een ecomodernistische kijk op het klimaatbeleid

Marco Visscher schreef voor het blad Liberale Reflecties van de TeldersStichting een artikel, waarin hij bepleit dat ecomodernisme dankzij de pragmatische benadering een antwoord biedt op klimaatverandering. We moeten we open staan voor alle opties bij de aanpak van klimaatverandering, zo schrijft Visscher, inclusief opties waar we misschien niet zo dol op zijn. Bewezen oplossingen moeten niet worden afgeschreven wegens achterhaalde overtuigingen. Als we doorgaan op dezelfde voet hebben we namelijk misschien wel net zo veel te vrezen van het klimaatbeleid als van klimaatverandering. 

Door: Marco Visscher
Op: www.teldersstichting.nl

Sinds in 2018 de plannen voor het Nederlandse klimaatbeleid concreter werden, is de energietransitie een steeds prominenter thema geworden. Grote groepen mensen verzamelden zich op straat om de overheid op te roepen om snel met antwoorden te komen op de klimaatverandering. Anderen moeten er niets van hebben. Zij vinden de aandacht voor het klimaat overdreven of zijn het niet eens met de plannen van activisten en politici.

Beide reacties zijn begrijpelijk. De mondiale CO2-uitstoot blijft stijgen, de klimaatverandering lijkt te versnellen en bij uitblijvend beleid zullen de gevolgen moeilijker beheersbaar zijn. Het pleit voor de activisten dat zij hierop wijzen. Maar vaak zijn hun eisen onhaalbaar of schieten hun voorstellen tekort. Wie hen aanhoort, zou kunnen denken dat klimaatverandering ons overkomt vanwege een paar slechteriken op machtige posities, in de politiek en het bedrijfsleven, die de boel verpesten voor de rest. Dat is echter een kinderlijk eenvoudige voorstelling van zaken. Klimaatverandering kunnen we waarschijnlijk het beste zien als het onbedoelde gevolg van onze inspanningen om een modern leven te leiden in welvaart en welzijn. We doen er allemaal aan mee.

Er is behoefte aan een andere aanpak: eentje die effectiever en realistischer is, en in staat is om meer publieke steun te vergaren. In dit artikel bepleit ik dat het ecomodernisme een antwoord biedt op de klimaatverandering. De pragmatische benadering van de ecomodernisten stelt hen in staat om noodzakelijke bruggen te slaan tussen de diverse politieke stromingen die in het klimaatdebat steeds verder van elkaar verwijderd lijken te raken.

Klik hier om verder te lezen.

Energie is toe aan nieuwe taal

Energie is toe aan nieuwe taal

De term ‘groen’ stuurt ons denken over de toekomstige energievoorziening. ‘Groen’ staat klimaatbeleid in de weg. Energie is toe aan nieuwe taal.

Door: Mirjam Vossen
Op: www.trouw.nl

Eind oktober 2019 was daar plotseling het massieve verzet tegen biomassa. Een advies­bureau bracht een vernietigend rapport uit, waarin het becijferde dat een biomassacentrale meer stikstof, fijnstof en CO2 uitstoot dan een kolencentrale. Energie­be­drijf Vattenfall (voorheen Nuon) stond plotsklaps in de schijnwerpers. Het wil bij Diemen een nieuwe houtstookcentrale openen. Maar door het aanzwellende protest zette het bedrijf plannen voor nog meer biomassacentrales haastig in de ijskast. Niet eerder zorgde biomassa voor een mediahype waarbij kranten en journaals zich vulden met beelden van omgehakte bossen en rokende schoorstenen.

De verwarring was groot. Want samen met zon en wind hoort biomassa immers bij de ‘groene’ en ‘duurzame’ energiebronnen. En meer dan dat: de spectaculaire groei van ‘groene energie’ in ons land komt voor het leeuwendeel van biomassa. Volgens het CBS is dat maar liefst 61 procent. Zon en wind bungelen daar met 23 en 8 procent ver achter. Maar zo ‘duurzaam’ en ‘groen’ is biomassa dus helemaal niet.

De toenemende kritiek op biomassa legt ­belangrijke vragen bloot: Hoe is biomassa ooit in de ‘groene’ en ‘duurzame’ hoek beland? Wanneer noemen we een energiebron ‘duurzaam’? Zijn er nog meer energiebronnen die dit predicaat wellicht niet verdienen – of juist wel? Hoe bruikbaar is dit ‘duurzame’, ‘groene’ label?

Klik hier om verder te lezen.

De zaak Hinkley Point C: is kernenergie duur?

In discussies over de toepassing van kernenergie als onderdeel van de oplossing van het klimaatprobleem wordt vaak gewezen op de hoge kosten van kernenergie. Jeroen Pauw zei achteloos dat het “verschrikkelijk duur” is in zijn uitzending op 31 oktober  en Pieter Boot, energie-expert van het Planbureau voor de Leefomgeving, motiveerde de uitsluiting van kernenergie uit het Klimaatakkoord met de woorden: “Kernenergie is te duur geworden”.

Boot wijst daarbij, net als veel tegenstanders van kernenergie, op het Hinkley Point C-project in het Verenigd Koninkrijk, waar twee kerncentrales worden gebouwd waarvan de kosten hoger zijn dan beraamd.

In dit artikel gaan we dieper in op Hinkley Point C en op de vraag of dit project echt zo duur is als wordt beweerd. Eerst bespreken we de aard en oorsprong van het type kerncentrale, daarna de economie van het project en tot slot de toekomst van kernenergie in Europa.

Door: Joris van Dorp, werktuigbouwkundig ingenieur (ir, TU Delft) en adviseur energietechnologie in de gebouwde omgeving.

Wat de Britten bouwen

EPR in aanbouw (2 x 1600MW), Engeland HPC

Bij Hinkley Point worden op dit moment twee kernreactoren gebouwd van het type “EPR” (European Pressurised Reactor). Het ontwerp is ontwikkeld door een consortium van het Franse Framatome en het Duitse Siemens. Deze twee reactoren zijn het eerste onderdeel van een nationaal plan, ontwikkeld in 2008, om 16.000 MW aan nieuwe kerncentrales te bouwen in Engeland ter ondersteuning van de Britse energietransitie naar een schoon, betrouwbaar en betaalbaar energiesysteem dat de CO2-uitstoot drastisch omlaag moet brengen.

Ten opzichte van eerdere ontwerpen kent de EPR de nodige aanpassingen om te voldoen aan de strengere veiligheidseisen van met name de Duitse overheid. Zo is er een dubbele betonnen gebouwschil om nog beter te beschermen tegen mogelijk neerstortende vliegtuigen en zijn er rondom de afgebakende zone in het midden van de centrale waar alle nucleaire processen plaatsvinden liefst vier verschillende soorten, onafhankelijke veiligheidssystemen die in geval van een storing of calamiteit een onverhoopte beschadiging van de reactorkern (en dus het risico op het ontsnappen van radioactief materiaal naar de omgeving) moeten voorkomen.

Ondanks deze technologische overdaad hebben de ontwerpers beoogd dat de EPR bij seriematige bouw economisch voordeliger zou zijn dan haar voorgangers, met name door:

  • een hogere elektriciteitsopbrengst en betrouwbaarheid, met minder ongeplande onderbrekingen;
  • een groot en snel regelbereik van het geleverde vermogen, zodat adequaat kan worden ingesprongen op schommelingen op het netwerk door variaties in vraag en aanbod;
  • lagere kosten voor beheer en onderhoud, en een langere economische levensduur, waardoor de centrale ook na het einde van de ontwerplevensduur, tot minstens 80 jaar, kan blijven opereren;
  • en uitgebreide mogelijkheden om verschillende soorten nucleaire brandstoffen te gebruiken, waaronder combinaties van verrijkt en onverrijkt uranium, thorium, plutonium en “MOX”, vooruitlopend op het sluiten van de brandstofcyclus in de loop van de 21ste eeuw. Immers, de verwachting is dat ook “kernafval” zal worden gebruikt als brandstof in zowel bestaande thermische reactoren, zoals de EPR, als in toekomstige snelle reactoren, en dat er meer energie wordt onttrokken aan de brandstof (tot wel honderd keer meer), waarna er minder “kernafval” overblijft dat bovendien sneller vergaat.

Twee EPRs in bedrijf (2×1600 MW), China Taishan

Op dit moment worden EPR’s gebouwd in Finland, Frankrijk en Engeland. In China zijn er onlangs twee in gebruik genomen. India is in onderhandeling met EDF voor de bouw van zes EPR’s en ook de Franse regering heeft onlangs besloten de bouw van nog zes EPR’s te onderzoeken.

De kosten van Hinkley Point C

Na zeven jaar van onderhandelingen en herzieningen besloot de Britse regering in 2016 om het Hinkley Point C-project (hierna: HPC) te laten doorgaan. De kosten werden geraamd op ongeveer 20 miljard euro. Daarvoor zouden Franse en Britse bedrijven de bouw verzorgen, inclusief de ontwikkeling van de benodigde industriële ketens en opgeleid personeel in Engeland na dertig jaar stagnatie. Inmiddels is de kostenraming bijgesteld tot 25 miljard euro. Dat is aanmerkelijk meer dan de oorspronkelijke schattingen zoals die werden gemaakt tijdens het ontwerp van de EPR rond de eeuwwisseling. Het bouwen van twee EPR’s werd destijds geschat op hooguit 7 miljard euro (zie slide 51).

Laten we kort kijken naar de oorzaken van de kostenstijging bij HPC. Dit zijn onder andere:

  • het uitstappen van Siemens uit het EPR-consortium, waardoor belangrijke kennis wegviel;
  • de reeks van nieuwe veiligheidsonderzoeken en -eisen na het ongeluk met de kerncentrale in Fukushima, Japan, in 2011, die volgde op de tsunami;
  • het besluit van diverse Europese overheden, waaronder de Nederlandse, om, ondanks de geplande transitie naar een energievoorziening met minder CO2-uitstoot, toch geen EPR’s te bestellen, maar nieuwe kolen- en gascentrales;
  • de onzekerheid ten gevolge van de beleidsmatige uitsluiting van kernenergie bij diverse internationale verdragen van instanties als de Verenigde Naties (zie bijvoorbeeld het Clean Development Mechanism van het Kyoto Protocol) en bij financiële steunmechanismen in het kader van klimaatbeleid en duurzame ontwikkeling (zoals de Wereldbank die wél leningen verstrekt aan ontwikkelingslanden voor fossiel, maar niet voor kernenergie of de wijze waarop in Europese landen in het kader van klimaatbeleid vooral groene energie subsidie en belastingvoordeel geniet, ten opzichte van fossiel, terwijl kernenergie juist extra belast wordt);
  • de teloorgang van de Europese nucleaire sector wegens lege orderboeken, stijgende schulden en faillissementen, en het afvloeien van gespecialiseerd personeel richting pensioen, andere sectoren of bouwprojecten buiten Europa.

Om HPC te bouwen ondanks de genoemde belemmeringen werd afgesproken dat de Britse overheid gedurende 35 jaar een stroomprijs zou garanderen (via een CfD contract) van 11,3 cent/kWh (volgens de huidige wisselkoers), gecorrigeerd voor inflatie. Deze vergoeding is veel hoger dan de oorspronkelijk raming van het Franse elektriciteitsbedrijf EDF, namelijk 5,5 cent/kWh (bij huidige prijzen). Bovendien is het hoger dan de huidige prijs van stroom op de groothandelsmarkt, die slechts 5 cent/kWh is. Wat dat betreft, kunnen we vaststellen dat HPC inderdaad “verschrikkelijk duur” lijkt te zijn.

En wat zijn de opbrengsten?

Om na te gaan of HPC met 25 miljard euro ook daadwerkelijk duur is, moeten we de kosten vergelijken met de baten. Dan moeten we allereerst vaststellen dat HPC bestaat uit twee EPR’s met elk een nettocapaciteit van 1600 Megawatt. Op jaarbasis zullen ze samen 26 miljard kWh leveren aan het Britse elektriciteitnet. Dat is genoeg stroom voor bijna 9 miljoen huishoudens. (In Nederland zou HPC dus álle huishoudens kunnen voorzien van CO2-vrije stroom.) HPC heeft een ontwerplevensduur van 60 jaar, met de mogelijkheid om te verlengen tot minstens 80 jaar. Gedurende 60 jaar zal HPC ruim 1500 miljard kWh aan stroom leveren. Daarmee komen de investeringskosten per kWh op 1,6 cent.

De lopende productiekosten na ingebruikname van de centrale zullen naar schatting uitkomen tussen 1,5 en 2,5 cent/kWh. Dit omvat alle lopende kosten tijdens bedrijf, waaronder personeelskosten, brandstofkosten, vergunningen, verzekeringen, onderhoud, belastingen en premies aan het ontmantelingsfonds en de verwerking en eindberging van kernafval.

De investeringskosten en de lopende kosten samen zijn dus hooguit 4,1 cent/kWh. Dat is nog lang niet de 11,3 cent die de eigenaar van HPC vergoed krijgt van de Britse overheid. Wat gebeurt er met het verschil van 7,2 cent/kWh? Wel, dit zal worden uitgekeerd als premie (rente, dividend of een andere vormen van winstuitkering) aan investeerders en geldschieters van HPC, namelijk de (pensioen)fondsen en (staats)deelnemingen van Frankrijk en China die de eigenaren van het project zijn.

Als de prijs van 11,3 cent ook na het aflopen van de garantieperiode van 35 jaar gerealiseerd blijft, verdienen de eigenaren over de 60-jarige levensduur van HPC een slordige 100 miljard euro (7,2 cent x 1500 miljard kWh), bovenop de terugbetaling van de oorspronkelijke investering van 25 miljard euro en de lopende kosten. Dat is de vergoeding voor het risico dat de investeerders nemen om HPC te financieren.

Duur én goedkoop

Is HPC “verschrikkelijk duur”? Dat hangt af van het perspectief dat je neemt. Vanuit investeerders kun je stellen dat HPC inderdaad duur is wanneer je het vergelijkt met andere kernenergieprojecten. Immers, HPC kost bijna 8 miljard euro per Gigawatt, terwijl in China, Rusland en Zuid-Korea een vergelijkbaar project nog geen 3 miljard per GW kost.

Ondanks de relatief hoge bouwkosten zijn de kosten per kWh voor investeerders laag. Die 4,1 cent/kWh is vergelijkbaar met de kosten van een fossiele centrale en veel lager dan de kosten van de goedkoopste equivalente (stabiele, zelfstandige) combinatie van zonnepanelen en windmolens plus opslag met accu’s en waterstof, waarvan de kosten kunnen oplopen tot 50 cent/kWh. Vanuit dat perspectief is HPC dus net zo goed “verschrikkelijk goedkoop”.

Zelfs door uit te gaan van “radicale transformatie” van het energiesysteem en extreem gunstige aannames (voortdurende kostendalingen van windturbine, zonnepanelen en opslagsystemen, de bouw van een internationaal elektriciteitnetwerk op continentale schaal, en de beschikbaarheid van goedkoop landoppervlak voor alle apparatuur) komen tegenstanders van kernenergie niet onder de 5 cent/kWh in 2050.

Naast dit perspectief van de investeerder is er nog het perspectief van de samenleving. Dat levert eveneens een dubbelzinnige conclusie. Voor de afnemers van stroom – al die huishoudens, instellingen en bedrijven die iedere maand een energierekening krijgen – zijn de kosten van HPC hoog, vergelijkbaar met de kosten van zonnepanelen op het dak, die ook al snel op 10 cent/kWh uitkomen, maar die goedkoop líjken, omdat particuliere afnemers zijn vrijgesteld van energiebelasting en opslag duurzame energie (ODE) ter waarde van 14 cent/kWh, en omdat ze mogen “salderen” (het elektriciteitssysteem gebruiken als een gratis, perfecte en onuitputtelijke accu). Maar: voor de maatschappij zijn de kosten van een kerncentrale juist laag. Want de kosten die de samenleving ervaart, zijn uitsluitend de kosten voor het bouwen en exploiteren van de centrale, níet de rentes en dividenden, want die worden juist aan diezelfde samenleving uitgekeerd.

Eigenaren van HPC zullen veel geld verdienen als de centrale niet voortijds gesloten wordt, hoewel ze er lang op moeten wachten. Dit zijn onder andere Britse pensioenfondsen en staatsdeelnemingen. Zo krijgen we een vestzak-broekzakoperatie. Immers, het grootste deel van het geld dat de Britten betalen voor stroom van HPC gaat direct naar hen terug in de vorm van pensioenen en sociale voorzieningen.

Duur voor afnemers, goedkoop voor de samenleving: dat was ook de conclusie van de Britse Rekenkamer. In haar audit van het HPC-project concludeerde de National Audit Office (NAO) dat er voor die 11 cent/kWh die er betaald gaat worden voor de atoomstroom van HPC tot wel zes (!) HPC’s gebouwd hadden kunnen worden indien de Britse staat het project zelf had gefinancierd met goedkope staatsobligaties.

De NAO schrijft: “If we assume the government financed the project and required a 2% return (nominal, equivalent to its borrowing cost), construction costs could overrun by between 400% and 600% to equate to the total cost of the HPC deal.

Deze 400 tot 600 procent komt goed overeen met het verschil tussen het in dit artikel geschatte werkelijke bouwkostenaandeel en het rente/dividendaandeel van de HPC-prijs, namelijk respectievelijk 1,6 cent/kWh en 7,2 cent/kWh op het totaal van de gegarandeerde prijs van 11,3 cent/kWh.

Uittreksel uit het auditrapport over HPC van de Britse rekenkamer, NAO

De Rekenkamer presenteert haar conclusie ook op grafische manier, namelijk in de volgende grafiek:


Uit de grafiek blijkt ook (linkerkant kromme duikt onder de nul) dat er geen prijsgarantie nodig zou zijn geweest indien de Britse overheid het project had gefinancierd.

De volgende taartdiagram toont opbouw van de prijs voor het HPC-project, met daarin de schattingen van de bestemming van het geld dat de consument straks betaalt voor een megawattuur atoomstroom. (Deel de getallen door 10 om de prijs in cent/kWh te krijgen.)

Bestemming van de prijs die betaalt gaat worden per MWh (1MWh = 1000 kWh) voor de stroom van HPC. Ongeveer twee derde wordt uitgekeerd aan investeerders, slechts een derde is nodig voor de bouw, exploitatie en ontmanteling van HPC.

Voor de nationale welvaart is HPC voordelig, ondanks de hoge investeringskosten en hoge prijs. Dat is ook precies de reden waarom de Britse overheid ooit begon met kernenergie en er mee wil doorzetten. Bovendien profiteren de Britten op deze manier van stabiele, CO2-vrije elektriciteit, zonder luchtvervuiling. Ook de Oost-Europese lidstaten willen om deze reden kernenergie toepassen, en verzetten zich daarom tegen pogingen van Duitsland, Oostenrijk en de Groenen om kernenergie uit te sluiten van het Europese klimaat/energiebeleid.

In de toekomst

De Britse overheid weet dat elke kerncentrale – ondanks de grote investering – vroeg of laat een enorme melkkoe wordt en dat het bereiken van een CO2-vrije samenleving zonder kernenergie praktisch onbetaalbaar is. Daarom zal ze vermoedelijk graag willen voortborduren op de ervaring met HPC en ervoor zorgen dat de eindelijk opgebouwde kennis en industriële ketens niet weer verloren gaan, maar juist verder worden ontwikkeld en benut.

Veel van de kosten voor HPC – het opzetten van de benodigde bouwketens en de training van een nieuwe generatie technici en ingenieurs – zijn eenmalig. Hoe meer er gebouwd wordt, hoe lager de kosten worden, net zoals dat ging toen de eerste golf kerncentrales gebouwd werden in de jaren ’60 en 70’, en net zoals dat gaat met alle industriële activiteiten die de mensheid ontplooit zolang die niet gesaboteerd worden. Een bescheiden Europees bouwprogramma voor de bouw van EPR’s ter vervanging van de huidige kernreactorvloot zou volgens de Europese Commissie al genoeg zijn om de gemiddelde bouwkosten per centrale te halveren ten opzichte van hoofdprijs van HPC, namelijk tot minder dan 4 miljard per GW.

In haar auditrapport voor HPC kwam de NAO nog met aanbevelingen over hoe de overheid kan zorgen dat de kosten en baten van toekomstige kernenergieprojecten anders kunnen worden verdeeld tussen investeerders en stroomafnemers. Zo kan de stroomprijs wellicht omlaag door een deel van het projectrisico te verschuiven van de bouwende partij naar de samenleving, die leiden tot lagere kapitaalkosten (rentes en dividend). Aangezien het projectrisico voor de bouw van nieuwe kerncentrales vooral politiek is, zou het niet onlogisch zijn om dat project risico ook wat meer bij die politiek te leggen, onder het mom van “de vervuiler betaalt”. Een wetenschappelijke uitleg van deze optimalisering (bekend als het RAB-model) is bijvoorbeeld hier te vinden.

Net als elders in Europa heerst ook in Engeland voortdurend controverse en verwarring over het te voeren klimaat- en energiebeleid. Daarbij valt op dat de fossiele industrie uit financieel eigenbelang samen optrekt met de milieubeweging om de ontwikkeling van kernenergie tegen te werken. Immers, zolang klimaatactivisten volop blijven inzetten op wind en zon, en we weigeren te luisteren naar de klimaat- en energie-experts die aanvoeren dat een uitbreiding van kernenergie dringend gewenst en noodzakelijk is om de kosten van de energietransitie te beperken, zal de bouw van nieuwe kerncentrales in Europa verder worden bemoeilijkt en uitgesteld. Het leidt ertoe dat zowel de fossiele industrie als de milieubeweging verheugd reageren op de schurende chaos en faillissementen in de Westerse nucleaire sector, en gezamenlijk juichen wanneer landen als België en Japan besluiten om hun kerncentrales te vervangen door een combinatie van gesubsidieerde aardgascentrales en groene stroom.

En over de successen van de nucleaire ontwikkeling in Rusland en China wordt vooral gezwegen.

Figuur 1 Technici werken aan de in 2016 in bedrijf genomen “vierde generatie” snelle kweekreactor type BN-800 in Rusland. Met 880 MW vermogen levert deze reactor bijna twee keer zoveel stroom als de kerncentrale bij Borsele, maar met slechts een honderdste van het verbruik aan uranium en met (nog) hogere veiligheidsprestaties.

Toch zal kernenergie vroeg of laat ook in Europa opnieuw worden omarmd. Naast de gunstige impact op de CO2-uitstoot zijn de overige milieuhygiënische en economische voordelen van moderne kernenergietechnologie simpelweg te groot om te blijven negeren. De rest van de wereld zal dat zeker niet doen, want uitsluitend mét behulp van kernenergietechnologie is het praktisch haalbaar om fossielvrije en emissieloze elektriciteit, warmte en synthetische brandstoffen te produceren die goedkoper zijn (zonder subsidie) dan hun fossiele versies.

Ik denk daarom dat uiteindelijk niet alleen experts, maar ook het bredere publiek en de politiek zullen gaan inzien dat een fossielvrij energiesysteem zonder kernenergie daadwerkelijk, in de woorden van het Planbureau voor de Leefomgeving, “niet goed voorstelbaar” is, laat staan wenselijk.

UPDATE: Ik heb de vraag gekregen of de manier waarop ik de economie van HPC becijfer ook toepasbaar is op bijvoorbeeld een offshore windpark, en hoe de economie van deze twee investeringen dan onderling vergelijkbaar gemaakt kan worden. Die vergelijking kan gemaakt worden, maar aangezien windenergie geen stabiele opwekker is (een opwekker met regelbaar vermogen), zijn de kosten van energie uit een windpark niet beperkt tot de bouw-, bedrijfs- en ontmantelingskosten van de centrale. Ook de kosten van de back-up (achtervang) die nodig is wanneer er geen wind waait moeten worden meegenomen, alsmede de extra transmissiekosten die worden gemaakt door de noodzaak om energie van winderige gebieden naar stille gebieden te transporteren. Dit allemaal in detail te bespreken zou een separaat artikel vergen, maar samengevat: de goedkoopste manier om een CO2-vrij systeem te verkrijgen op basis van windenergie dat functioneel vergelijkbaar is met kernenergie, is de combinatie van windenergie met aardgasturbines uitgerust met CCS-technologie (Carbon Capture and Storage). Dit veroorzaakt een stijging van de sociale kosten met ten minste 4 ct / kWh (€ 40 / MWh) voor de windenergie.

Voor de duidelijkheid heb ik de gegevens in dit artikel verzameld en in een infographic geplaatst die laat zien hoe men in vier stappen de CfD-uitoefenprijzen voor HPC en voor recente UK offshore windtenders kan omrekenen in totale sociale kosten. Dan blijkt dat zelfs de duurste kerncentrale in Europa (HPC) veel lagere sociale kosten heeft dan de goedkoopste offshore windparken.

HPCvsWind

Dit resultaat sluit ook goed aan bij de kostenraming van klimaatopties gepubliceerd in 2018 door het Planbureau voor de Leefomgeving, waaruit ook al bleek dat kernenergie voor Nederland een veel goedkopere CO2-reductiemaatregel is dan offshore windenergie.

Kosteneffectiviteit-CO2-maatregelen

Overzicht CO2 besparingsmaatregelen in de infographic van EBN, op basis van het rapport van PBL uit 2018 over de kosteneffectiviteit van het Nederlandse klimaatbeleid.

‘Meer meer meer’ is beter voor het milieu

‘Meer meer meer’ is beter voor het milieu

Filosoof en schrijver Sebastien Valkenberg legt in NRC uit waarom we juist niet op rantsoen moeten.

Door: Sebastien Valkenberg
Op: www.nrc.nl

‘We zijn onderhand een verslaafde van onze portemonnee geworden.” Toen Femke Halsema Geluk! (2008) schreef, was consuminderen nog een lifestylekwestie. De burgermeester van Amsterdam, destijds nog fractievoorzitter van GroenLinks, merkte dat het zoveelste jurkje haar niet gelukkiger maakte. Dat kon best een tandje minder.

Inmiddels heeft deze boodschap de verbeten ondertoon van de ondergang gekregen. De Green Deal van Frans Timmermans trok deze week veel aandacht, maar was gematigd van toon vergeleken met het alarmisme van VN-chef Antonio Guterres voorafgaand aan klimaattop in Madrid. „Onze oorlog tegen natuur moet stoppen.” Het is hetzelfde wereldbeeld als dat van Greta Thunberg, deze week door Time uitgeroepen tot Persoon van het Jaar. „Jullie stalen mijn toekomst”, waste ze de wereldleiders afgelopen najaar de oren, „het enige waar jullie over kunnen praten is geld en sprookjes over economische groei.”

Op rantsoen dus. De redenering klinkt aannemelijk. Voor spullen zijn grondstoffen nodig, dus voor meer spullen zijn meer grondstoffen nodig. Huizen bouwen we met stenen, papier komt van hout en zonder landbouwgrond geen voedsel. Eeuwenlang ging het op deze manier. Zet het patroon uit in een grafiek en je krijgt twee klimmende lijnen die min of meer gelijk op lopen. Of zoals de milieubeweging het stelt: economische groei en welvaart gaan ten koste van de aarde.

Klik hier om verder te lezen.

Doneer eens voor het klimaat

Doneer eens voor het klimaat

Als je het klimaat wil redden, moet je stoppen met vlees eten en minder vliegen, toch? De Vlaamse filosofen Maarten Boudry en Thomas Rotthier zien een manier die meer impact heeft. Je steentje bijdragen kan ook door te investeren in organisaties die technologische oplossingen zoeken.

Door: Maarten Boudry & Thomas Rotthier
Op: www.standaard.be

‘Maar wat kunnen we nu zélf doen voor het klimaat?’ Het is een van de vaakst gestelde vragen aan wetenschappers en klimaatactivisten. Nu de klimaattop in Madrid plaatsvindt, klinkt ze opnieuw luider. De antwoorden lopen uiteen, maar onder de klassiekers bevinden zich: zonnepanelen leggen, je woning goed isoleren, energiezuinige apparaten kopen, minder vliegen en minder vlees eten.

Kiezen voor koolstofarme alternatieven is beslist nuttig en levert vaak andere voordelen op. Je huis goed isoleren is niet alleen goed voor het klimaat, maar ook voor je portemonnee. Minder vlees eten verlaagt je uitstoot, maar is ook gezonder en diervriendelijker.

Toch is er een ongemakkelijke waarheid: individuele gedragswijzigingen hebben een bescheiden impact. Zelfs als iedere Belg morgen een voorbeeldige klimaatburger wordt, is het probleem nog lang niet opgelost. Daar zijn twee redenen voor. Het einddoel van het Klimaat­akkoord van Parijs is een wereldwijde (netto) nuluitstoot van alle broeikasgassen tegen 2050. Met gedrags­verandering kun je je uitstoot wel temperen, maar nooit tot nul reduceren. Dat komt omdat fossiele brandstoffen overal zitten: niet alleen in diesel en kerosine, maar ook in plastic en papier, in staal en aluminium, in kunstmest en cement, in onze huizen en in de landbouw.

De tweede reden is ook simpel: wij zijn niet alleen op de wereld. Westerse landen kunnen hun energie­consumptie gerust matigen zonder welvaart te verliezen, maar de energiebehoeften in de rest van de wereld zullen nog fors toenemen.

Nog steeds leven honderden miljoenen mensen in armoede. Hun schamele energie halen ze uit hout en mest (wat erg vervuilend is). De komende decennia zullen zij eindelijk toegang krijgen tot elektriciteit. Dat kunnen wij niet tegenhouden, en het zou ook immoreel zijn. Door de stijgende energievraag zal in 2040 driekwart van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen afkomstig zijn van groeilanden zoals China en India. China alleen al bouwt tegen 2035 meer dan tweehonderd nieuwe luchthavens, en het ziet ernaar uit dat al die vliegtuigen op koolstofrijke kerosine zullen vliegen.

Klik hier om verder te lezen.

Kernenergie helpt arme landen bij ontwikkeling

Arme en opkomende landen dragen het meest bij aan de toename van CO2-uitstoot. Om te voorzien in hun behoefte aan groei moeten we manieren vinden om energie goedkoper en schoner te maken.

Door: Marco Visscher
Op: www.marcovisscher.nl

Deze week is in Madrid de vijfentwintigste Klimaattop. Sinds de eerste bijeenkomst in 1995 is er veel veranderd. Toen dachten we dat het probleem zou verdwijnen als de rijkste landen wat minder broeikasgassen zouden uitstoten. Zo stond het in het Kyoto-protocol uit 1997. Het liep anders. De CO2-uitstoot nam toe met liefst 50 procent.

Dat ligt niet zozeer aan de rijkste landen. De Europese Unie stoot zo’n 10 procent minder CO2 uit dan toen. Zelfs de Amerikanen met hun SUV’s zitten onder hun oude niveau. Japan toont een tamelijk vlakke lijn. Australië schommelt nog de verkeerde kant op. Vrijwel de gehele toename van de CO2-uitstoot kwam dus door arme en opkomende landen als China, Brazilië en India. Naar verwachting zal dat de komende decennia zo blijven.

Wat betekent dit? Sommigen vinden dat deze landen meer moeten meebetalen aan oplossingen. Dat is onacceptabel. Historisch gezien hebben rijke landen veruit het meest bijgedragen aan het probleem. Bovenal kampen mensen in Azië en Afrika met meer urgente problemen waarvoor hun overheden zich moeten inspannen. Nog een miljard mensen zit zonder toegang tot betrouwbare elektriciteit; wij kunnen hen juist helpen te voorzien in die behoefte.

Klik hier om verder te lezen.

Marco Visscher en Hidde Boersma bij Spraakmakers

Op dinsdag 26 november waren journalisten Marco Visscher en Hidde Boersma te gast bij het NPO radioprogramma ‘Spraakmakers’. In deel 2 van het onderwerp ‘Dwarsdenkers in de klimaatdiscussie’ legden zij in enkele minuten uit wat het Ecomodernisme inhoudt. 

De NPO schrijft: “Bij het aanpakken van onze klimaatproblemen moet geen enkele oplossing geschuwd worden, zelfs als die zo afwijkend zijn als wat de ecomodernisten voorstellen. Het is een nieuw soort milieubeweging die in economische groei juist kansen ziet voor ons klimaat en ook kernenergie niet uit de weg gaat.”

Beluister het fragment terug via deze link.

Juist door ver te reizen help je de wereld

Duurzaamheid hoort geen klassekwestie te zijn

Nu vliegen bereikbaar wordt voor alle lagen van de bevolking, zet de bovenklasse zich er onder het mom van duurzaamheid tegen af. Terwijl verre reizen empathie wekken voor andere culturen en een medicijn zijn tegen etnocentrisme, betoogt Hidde Boersma.

Door: Hidde Boersma
Op: www.devolkskrant.nl

Er stond afgelopen week een opvallende reclame in de Volkskrant. Koning Aap, een reisbureau voor verre reizen, begon zijn advertentie met: ‘Natuurlijk, gewoon thuis blijven is het beste voor de planeet.’ Dat zelfs reclame-uitingen met een verontschuldiging beginnen, geeft wel aan hoezeer de schaamte om te vliegen zich in korte tijd tijd in onze hoofd heeft genesteld. In 2018 was de term vliegschaamte zelfs genomineerd voor ‘woord van het jaar’ en in Zweden, waar dat woord voor het eerst opdook, daalt het aantal vluchten al daadwerkelijk.

Vliegschaamte past in de trend waar minder duurzame activiteiten worden gekoppeld aan schuld: vleesschaamte, baarschaamte, cappuccinoschaamte en nieuw deze week: betonschaamte.

Het is ontegenzeggelijk waar dat vliegen vervuilt: het is op dit moment verantwoordelijk voor ongeveer 3 procent van de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen, maar projecties van klimaatpanel IPCC gaan uit van tussen de 5 en 15 procent bij ongewijzigd beleid.

De stijging komt voor een belangrijk deel op het conto van inwoners van ontwikkelingslanden, voor wie vliegen eindelijk betaalbaar wordt. In 2017 hing een schamele 3 procent van de wereldbevolking in de lucht, de overige 97 procent kan niet wachten om te volgen. Vooral het aantal vakantievluchten neemt toe: nog maar een kwart van de vliegbewegingen is voor zaken. En dus roepen politici, wetenschappers en activisten op minder te vliegen en vaker te kiezen voor een vakantie dicht bij huis.

Het is maar zeer de vraag of dat een goed idee is. Verre reizen maken de wereld namelijk een betere plek, met name omdat ze de empathie voor andere mensen en culturen vergroot. In Enlightment Now (2018) wijst de Canadees-Amerikaanse psycholoog Steven Pinker drie oorzaken aan voor wat hij de ‘lange vrede’ is gaan noemen, de ongeëvenaarde daling van het aantal oorlogen, moorden en geweldsincidenten in de afgelopen zeventig jaar: geletterdheid, globalisering en reizen.

Klik hier om verder te lezen.