Moeder Natuur stuurt geen boodschappen

Joost van Kasteren bespreekt Natural van Alan Levinovitz en Tegen de natuur in van Lorraine Daston.

Alweer anderhalve eeuw of zo profiteren we van moderne wetenschappelijke inzichten en nieuwe technologieën, waarmee we ons leven veraangenamen. De laatste maanden bleek echter dat een simpel virus volstaat om het geloof in de mythes van onze verre voorouders weer tot leven te wekken. ‘De natuur stuurt ons een boodschap’, zei Inger Andersen, hoofd van UNEP, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties. De Vlaamse filosoof en psychiater Damiaan Denys hield het erop dat het coronavirus een gezonde correctie is op onze megalomane levensstijl. Een corrigerende tik van Moeder Natuur die ons ‘dagelijks laat weten dat ze het zat is’ aldus Eurocommissaris Frans Timmermans.

Het coronavirus als een e-mail of appje van Moeder Natuur: het is een mooi voorbeeld van een naturalistic fallacy. Een naturalistische dwaling neemt de natuur als moreel ijkpunt, als maatstaf voor goed en kwaad. De naturalistische dwaling doet zich niet alleen voor in tijden van crisis, ook in het gewone leven worden we voortdurend geconfronteerd met termen als ‘natuurlijk’ die moeten suggereren dat een bepaald product of een bepaalde productiemethode goedgekeurd is door Moeder Natuur. Daarbij implicerend dat producten of methoden die niet ‘natuurlijk’ zijn, niet deugen. Niet per se omdat ze onveilig zijn, of kwalitatief het onderspit delven, maar omdat ze ‘niet natuurlijk’ zijn.

De afgelopen maanden verschenen er twee boeken – ruim voor de pandemie geschreven overigens – waarin het begrip ‘natuurlijkheid’ kritisch onder de loep wordt genomen. Het ene, meer een essay, is geschreven door wetenschapshistoricus Lorraine Daston met als titel Against nature en is inmiddels ook vertaald in het Nederlands onder de titel Tegen de natuur in. Het andere boek, Natural, van de theoloog Alan Levinovitz is pas kortgeleden verschenen en wacht nog op vertaling.

Eeuwenlang al wijzen filosofen erop dat de natuur geen ‘waarden’ kent, geen moreel besef heeft. ‘Nature simply is’. Natuur is er gewoon in al zijn schoonheid, maar ook in al zijn bloederigheid. Het zijn de mensen die het ‘is’ van de natuur zonodig willen vertalen het  ‘ought’ van normen die ons vertellen hoe we ons moeten gedragen. Los daarvan kun je je afvragen welke natuurlijke orde maatgevend is. De orde die ervan uitgaat dat de natuurlijke bestemming van de vrouw is om echtgenoot en moeder te zijn, terwijl de man de rol van de provider en beschermer op zich neemt en voor het inkomen zorgt? Of de natuurlijke orde die laat zien dat iedereen gelijkwaardig onafhankelijk van sekse of gender?

In haar essay stelt Daston de vraag waarom we in het maatschappelijke en politieke debat toch steeds weer in die naturalistische valkuil vallen. Volgens haar heeft het te maken met de vaak ingewikkelde keuzes die we moeten maken. Niet alleen praktisch,  ‘Oh, het is biologisch, dus het zal wel goed zijn’, maar ook diepere vragen over hoe je in het leven staat. Als het daarover gaat, hebben we behoefte aan een maatstaf voor goed en kwaad die buiten de menselijke orde staat. Dat kan een goddelijke openbaring zijn waarin ons wordt medegedeeld hoe we ons moeten gedragen, maar ook het Boek der Natuur kan worden gelezen als een verzameling voorschriften hoe te leven.

 

Uiteindelijk zal het besef doordringen dat de natuurlijke orde geen maatstaf is om iets te beoordelen.

 

Een bijkomend voordeel is dat de natuur niet alleen zichtbaar voor iedereen, maar ook dat de variatie aan fenomenen zo groot is, dat iedereen altijd wel iets van zijn gading kan vinden om zijn eigen denkbeelden en gedrag te rechtvaardigen. Een autoritaire leider kan zich beroepen op de silverback, het alfamannetje in een groep gorilla’s, terwijl een meer democratisch ingestelde manager naar de bonobo’s kan verwijzen die zoveel mogelijk geweldloos hun conflicten oplossen.

Juist dat laatste maakt een beroep op de natuurlijke orde als scherprechter in morele kwesties tandeloos, denkt Daston. Voor elk oordeel of gedrag is wel een rechtvaardiging te vinden, zelfs voor marteling en kindermoord. Uiteindelijk denkt ze, zal het besef doordringen dat de natuurlijke orde geen maatstaf om iets te beoordelen. We moeten zelf uitvinden hoe het hoort, het ‘ought’, want Moeder Natuur heeft geen boodschap aan ons.

Het klinkt heel logisch, maar in de praktijk van alledag is het nog niet zover en je kunt je zelfs afvragen of we ooit nog van die naturalistische dwaling af komen. In Natural laat Alan Levinovitz zien hoezeer natuurlijkheid nog een argument is bij beslissingen op allerlei gebied: van de natuurlijke geboorte en de populariteit van natuurgeneeswijzen tot het gebruik ervan in pleidooien voor bepaalde landbouwmethoden en voeding.

Hilarisch is zijn  verhaal over de zoektocht van de Amerikaanse Food and Drug Administration naar een definitie van het begrip ‘natuurlijk’ als het gaat voedingsmiddelen. Die definitie leek nodig,  omdat er veel rechtszaken werden gevoerd tegen bedrijven die producten als ‘natuurlijk’ verkochten. Volgens de klagers was er weinig natuurlijks aan, bijvoorbeeld omdat ze teveel fructosestroop bevatten of omdat de chocolade behandeld was met kaliumcarbonaat om de bittere smaak te verwijderen. De zoektocht van de FDA duurde ruim tien jaar en heeft geen definitie opgeleverd waar de rechter wat mee kan.

Bedrijven blijven de term gebruiken, omdat consumenten in hun hoofd te verbinding leggen dat natuurlijk gelijk is aan gezond – een claim die ze zelf niet mogen maken. Hoezeer het begrip wordt opgerekt, illustreert Levinovitz aan de hand van vanille in de ijsjes van McDonald’s. In 2017 kondigde het bedrijf aan dat die smaakstof voortaan ‘natuurlijk’ zou zijn. Voor Levinovitz aanleiding om de ‘natuurlijke’ vanille eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat brengt hem onder meer bij Flip van Noort die in Wageningen onder glas vanille-orchideeën kweekt.

Volgens Van Noort is er weinig natuurlijks aan vanille uit de kas, maar dat geldt evenzeer voor de vanille die in het open veld wordt geteeld. Het overgrote deel van de wereldproductie echter komt uit Madagascar en Indonesië, terwijl de orchidee zelf ooit is gedomesticeerd door de Maya’s in Midden-Amerika. De bessen zelf zijn niet eetbaar, maar moeten een reeks bewerkingen ondergaan om uiteindelijk een zwart, glimmend vanillestokje te worden. Bij de productie ervan wordt bovendien gebruikgemaakt van kinderarbeid. Gelukkig voor McDonald’s hoeft het daarvoor geen verantwoording af te leggen. Hun ‘natuurlijke vanille’ wordt gemaakt door bacteriën in een fermentatievat.

 

‘Natuurlijk’ is een conservatief begrip, ook al wordt het veel in progressieve kring gebezigd.

 

 

Levinovitz laat niet na om te wijzen op de onhoudbaarheid van het begrip ‘natuurlijk’, niet alleen in morele zin, maar ook praktisch. Hij vindt het gebruik ervan zelfs contraproductief, omdat het de technologische vernieuwing in landbouw en voedingsmiddelindustrie blokkeert. Het is een conservatief begrip, ook al wordt het veel in progressieve kring gebezigd. Toch, stelt Levinovitz, moeten we de mensen die natuurlijk als goed ervaren niet als zodanig wegzetten, omdat je daarmee de polarisatie tussen de naturisten en de modernisten nog verder opvoert.

Daarmee sluit Levinovitz zich aan bij Charles Mann die in zijn boek De tovenaar en de profeet ook geen keuze wil maken tussen beide kampen. Terecht, meent Levinovitz, want polarisatie leidt tot een ideologische monocultuur, terwijl we juist moeten streven naar een ideologische polycultuur, waarin iedereen wordt uitgedaagd om zijn vooronderstellingen expliciet en bespreekbaar te maken. Alleen dan ontstaat er ruimte voor verandering.

 

Lorraine Daston, Tegen de natuur in (Octavo publicaties, 2020)

Alan Levinovitz: Natural: The Seductive Myth of Nature’s Goodness (Profile Books, 2020)

 

Joost van Kasteren is hoofdredacteur van Vork (waar deze recensie eerder verscheen) en co-auteur van Ecomodernisme.

De natuur heeft geen moraal, de mens wél

De natuur heeft geen moraal, de mens wél

Rampspoed gold vroeger als een straf van God. In de coronacrisis krijgt de natuur dezelfde krachten toebedeeld, ziet filosoof Ralf Bodelier. Deze neiging bestaat al langer in de milieubeweging. We schieten er echter weinig mee op. Want God noch de natuur zal ons straffen of redden; alleen menselijke scheppingskracht kan leiden tot een betere wereld voor iedereen.

 

Door Ralf Bodelier

 

Onder intelligentsia maakt de coronacrisis heel verschillende reacties los. Een eerste groep denkers richt zich direct op het virus, op covid-19 en de economische en sociale gevolgen van de pandemie. Ze probeert de verspreiding van het virus verder in te dammen en de schade zo veel mogelijk te beperken. Ze ontwerpt strategieën om een tweede golf te voorkomen en denkt na over de economische en juridische consequenties van de lockdown. Prioriteit blijft het redden van mensen: hier, nu en in de nabije toekomst. Vervolgens gaat het om het overeind houden van de rechtsstaat en de revitalisering van een wereld waarin zo veel mogelijk mensen een gezond en welvarend bestaan kunnen leiden. Het is een oplossingsgerichte, verlichte en humanistische reactie.

Een tweede groep denkers richt zich maar amper op het virus en de maatschappelijke implicaties. Zij ziet de pandemie als uitvloeisel van iets dat daar ver bovenuit stijgt. En dat is onze wereldwijde manier van samenleven, het kapitalisme, de moderniteit en de globalisering. Een van hen is de Vlaamse psychiater Damiaan Denys. In NRC Handelsblad en Trouw duidde hij het coronavirus als ‘een gezonde correctie op onze megalomane levensstijl, een tik van de Schepper, de natuurwet, een homeostase – of welke begrippen je daar ook voor zou willen gebruiken’.

Een ander is de econoom en milieuactivist Ewald Engelen, columnist voor De Groene Amsterdammer. Ook Engelen gebruikt religieuze taal. Hij ziet de coronacrisis als de ‘openbaring’ van een ecologische ontwrichting en noemt de pandemie een ‘zegen’ voor het milieu. En dan is er nog columnist Marcia Luyten, van wie in de Volkskrant een column verscheen met mystieke zinnen als: ‘De levenskracht van de aarde, haar vitaliteit, is overweldigend. Ze is ontroerend – zo vergevingsgezind voor de mens die haar uitwoonde.’

Het zijn verrassende uitspraken. Voor Denys, Engelen en Luyten – om me tot deze drie te beperken – is de coronapandemie geen toeval. Al evenmin is covid-19 een probleem dat zo snel mogelijk moet worden opgelost om daarna weer verder te kunnen. De pandemie is een logische ‘consequentie van onze menselijke hebzucht, onze hang naar luxe en egoïsme’, aldus Denys. ‘We hebben onze wereld uitgewoond’, meent Luyten. ‘De apocalyps (…), die doen wij zelf’, schrijft Engelen.

Deze pandemie is een uitgelezen en wellicht laatste kans voor een maatschappelijke omwenteling. Denys, Engelen en Luyten hopen op een revolutie die steevast begint met het woordje ‘minder’. Minder globalisering, minder groei, minder intensieve landbouw, minder consumptie, minder luxe, minder reizen, minder productie, minder innovatie. Het is een nostalgische, romantische en religieuze reactie.

Ze is nostalgisch, omdat zij omkijkt naar een verleden waarin de aarde, de natuur en het milieu nog piekfijn in orde waren en de mens zijn plaats nog kende. Ze is romantisch omdat deze vorm van nostalgie pas in de romantische 19de eeuw werd uitgevonden. En ze is religieus omdat zij de aarde en de natuur eigenschappen toedicht die men in het verleden reserveerde voor God.

Let op de taal: de aarde en de natuur delen ‘corrigerende tikken’ uit, de pandemie is een ‘zegen’ voor het milieu, de aarde is ‘vergevingsgezind’ en de ‘apocalyps’ is ophanden. De natuur lijkt een laatste waarschuwing uit te delen. Want achter de milde coronacrisis dreigt immers een vernietigende klimaatcrisis. En wanneer we niet zelf en goedschiks het belang van natuur weer vooropstellen, dan gebeurt het kwaadschiks, schrijft Engelen. Want bij deze corrigerende tik van de natuur zal het niet blijven, meent Damiaan Denys. Na verloop van tijd zullen hebzucht, een hang naar luxe en egoïsme de kop weer opsteken, en dan zal volgens Denys ‘een nieuwe tik’ nodig zijn. ‘De mens is en blijft een simpel, hardleers wezen.’

 

De pandemie zou een ‘zegen’ voor het milieu zijn, de aarde ‘vergevingsgezind’ en de ‘apocalyps’ ophanden.

 

Deze uitspraken leggen een manier van denken bloot die ooit dominant was in het christendom. Tot ver in de 18de eeuw haalden christenen bij epidemieën en natuurrampen een leerstuk van stal dat de ‘theodicee’ werd genoemd. Met de theodicee – van het Griekse theos (God) en dikè (recht) – kon de grootste ellende worden gerechtvaardigd. Doorgaans kwam zo’n redenering erop neer dat de mens had gezondigd, dat hij daarom werd gestraft en dat we deze straf schuldbewust moesten aanvaarden om vervolgens ons leven te beteren.

De theodicee veronderstelde een almachtige God die zag wat we met zijn allen uitspookten, zich een oordeel erover vormde en met een natuurramp of pestepidemie corrigerend optrad. Het lijden was een pedagogisch moment waarin God de vader zijn ongehoorzame kinderen tuchtigde en opriep tot inkeer.

Eind 18de eeuw raakte de theodicee in verval. Een natuurramp tijdens Allerheiligen 1755 veranderde alles. Op deze katholieke feestdag werd het welvarende Lissabon getroffen door een verwoestende aardbeving, gevolgd door een overstroming en een uitslaande brand. Tienduizenden vonden de dood. In de kerken werd er meteen op gewezen dat de aardbeving niet zonder reden op Allerheiligen plaatsvond: ook dit drama moest worden begrepen en geaccepteerd als Gods wraak voor onze zonden, gevolgd door boetedoening en inkeer.

Eeuwenlang was deze boodschap geaccepteerd. Maar ditmaal was het anders. Verlichte denkers als Voltaire en Immanuel Kant zetten met frisse argumenten de bijl in de theodicee. De aardbeving, zo betoogden ze, was een kwestie van breuklijnen en platentektoniek. De onschuldige slachtoffers verdienden onze hulp. En nu kwam het erop aan aardbevingsbestendige steden te bouwen.

De overtuiging dat de mens een zondig wezen is, liet zich echter niet zomaar wegjagen. Een paar maanden na de aardbeving reageerde Jean-Jacques Rousseau, de vader van de Romantiek. Net als Kant en Voltaire meende ook hij dat God niet verantwoordelijk was voor de aardbeving. Maar daarmee was de mens nog niet van zijn zonden ontheven. Integendeel, de mens was nog net zo schuldig. Alleen zondigde hij nu niet langer tegen God. De moderne mens zondigde tegen zijn schepping, de natuur.

Hadden de Portugezen, zo schreef Rousseau, wat meer respect gehad voor de natuur en waren zij er in harmonie mee blijven leven, dan was er niets aan de hand geweest. Dan waren zij nooit in steden gaan wonen met hoge, kwetsbare huizen, maar in simpele hutten in de wildernis. Bovendien waren ze dan niet uit hebzucht teruggekeerd naar hun brandende en instortende woningen, op zoek naar kleren, papieren en geld.

 

De moderne mens zondigde nu niet langer tegen God, maar tegen zijn schepping, de natuur.

 

Daarmee leverde de Romantiek een opvolger van de oude theodicee, die ik voor de gelegenheid munt als ‘ecodicee’: een ‘ecologische rechtvaardiging’. Zoals in de theodicee God de mensheid in de gaten hield, zo ziet in de ecodicee de natuur wat we met zijn allen uitspoken. De natuur víndt er ook iets van en treedt bestraffend en corrigerend op. En wat de natuur ziet en bestraft, is onze moderne levensstijl. Een droogte, bosbrand of pandemie moet worden begrepen als een oproep tot boetedoening en ommekeer.

En wie vandaag goed naar de natuur luistert, begrijpt dat het bestrijden van de coronapandemie niet het voornaamste doel moet zijn. Dat is het stoppen van onze ‘megalomane levensstijl’ en de ‘ecologische ontwrichting’. Letterlijk zegt Engelen het zo: ‘Belangrijker is dat genezing het doel moet zijn, niet het stelpen van het bloeden – hoe nodig dat nu ook is.’

Eind 18de eeuw hadden Kant en Voltaire goede redenen om de theodicee te bestrijden. Vandaag zijn er even goede redenen om de ecodicee aan te pakken. De eerste reden ligt voor de hand. De natuur verdient geen goddelijke status. De natuur heeft geen ogen en oren waarmee ze ons waarneemt, ze beschikt niet over een moraal of over het vermogen om te oordelen. De natuur denkt niet over de mens na, laat staan dat ze ons straft of corrigeert.

En nee, de natuur is ook niet ‘vergevingsgezind’, zoals Luyten schrijft. Het is precies andersom. Mensen nemen waar, denken na, oordelen, straffen en vergeven. Mensen zijn geïnteresseerd in de natuur, verzamelen kennis over de natuur en corrigeren de natuur. Wég met de malariamug en het coronavirus, red de panda!

Een tweede reden om de ecodicee te bestrijden is de desinteresse in het concrete lijden van mensen. De nieuwe gelovigen roepen op om vooral verder te kijken dan deze crisis. Maar wanneer we de coronapandemie niet afdoende bestrijden, zullen er veel onschuldige slachtoffers vallen. Het lijkt de nieuwe gelovigen weinig te beroeren. Engelen geeft geen voorrang aan het stelpen van het bloeden en Denys roept ons zelfs op in ‘onze sterfelijkheid te berusten’. Hij noemt het ‘een bizar standpunt om naar het leven te kijken als iets waar je recht op hebt’.

Terwijl de nieuwe gelovigen de pandemie roemen als een zegen voor het milieu, is zij zeker geen zegen voor de miljoenen mensen die niet weten of ze morgen nog werk hebben. Voor de 70- tot 100 miljoen Aziaten en Afrikanen die nu volgens de Wereldbank terugvallen in extreme armoede, is de stilgevallen wereldeconomie een regelrechte ramp.

 

De ‘nieuwe gelovigen’ hebben een desinteresse in het concrete lijden van mensen.

 

Er is nog een derde reden. Rond 1755 waren het niet de theologen die de stoommachine, de bliksemafleider en de optische telegraaf ontwikkelden. Na de aardbeving in Lissabon waren het niet de priesters die betere huizen bouwden. Dat deed de verlichte vorst van Portugal, de markies van Pombal. Eerst begroef Pombal de doden en voedde hij de hongerigen, vervolgens gaf hij opdracht om huizen te ontwerpen met flexibele houten frames. Daarmee bouwde Pombal de eerste aardbevingsbestendige stad ter wereld.

De theodicee leidde nooit tot nieuwe ideeën om de samenleving te verbeteren en met de ecodicee is het al niet anders. Ook nu zijn het niet de ecologen die zich uit de naad werken om vaccins te ontwikkelen, software te programmeren om online te werken of hulpprogramma’s op te zetten voor wie tot armoede vervalt.

In onze samengegroeide wereld zal de coronapandemie niet de laatste planetaire crisis zijn. Moeten we de moderne intensieve landbouw inruilen voor biologische landbouw, zoals Luyten in haar column bepleit, en daarmee afzien van het voeden van de wereldbevolking? Schakelen we met Ewald Engelen de economie in de achteruit om terug te keren naar een armzalig verleden? Dienen we met Damiaan Denys voortaan in onze sterfelijkheid te berusten?

Of zetten we alles op alles om een tweede golf te voorkomen en vervolgens te werken aan een mondiale samenleving waarin we ook met tien miljard mensen gezond, welvarend en geëmancipeerd kunnen leven? Wat we daarvoor kunnen inzetten zijn onze technologie, verbeeldingskracht en wil tot samenwerken. Niet God of de natuur zal ons redden. Alleen onze eigen, menselijke scheppingskracht leidt tot een betere wereld voor iedereen.

 

Dit artikel verscheen in de Volkskrant, 20 juni 2020. Ralf Bodelier studeerde theologie en promoveerde als filosoof. Hij is auteur van diverse boeken, waaronder Tegen de angst en Kosmopolieten. Hij is co-auteur van Ecomodernisme.

Op 24 juni plaatste de Volkskrant een ingezonden brief van Damiaan Denys, Ewald Engelen en Marcia Luyten, waarin zij reageerden op het essay. Klik hier om hun reactie te lezen.

Afbeelding: Sathish kumar Periyasamy via Pixabay